ECLI:NL:CBB:2017:146
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging randvoorwaardenkorting van 3% wegens ontbreken vanggewas na maïsoogst
Appellant, een landbouwbedrijf, kreeg een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd op zijn rechtstreekse betalingen over 2015 vanwege het niet telen van een vanggewas direct aansluitend na de maïsoogst. Dit was vastgesteld na controles door de NVWA, waarbij werd geconstateerd dat het perceel geen vanggewas bevatte en geen grondbewerking had plaatsgevonden.
Appellant voerde aan dat overmacht door regenval het zaaien van het vanggewas onmogelijk maakte en dat verlichtende omstandigheden en het ontbreken van een evaluatiegedeelte in het inspectierapport tot matiging van de korting moesten leiden. Het College oordeelde dat het beroep op overmacht faalde omdat appellant niet tijdig schriftelijk melding had gemaakt en het perceel goed begaanbaar was.
Het College constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omtrent verlichtende omstandigheden, maar passeerde dit omdat verweerder alsnog inhoudelijk had gereageerd en appellant daarop had kunnen reageren. De overtreding werd als ernstig beoordeeld vanwege de milieudoelstellingen van de Nitraatrichtlijn, waardoor de standaardkorting van 3% gerechtvaardigd was.
Verder wees het College het beroep op het evenredigheidsbeginsel af, aangezien de korting wettelijk is voorgeschreven en het bedrag kan variëren per landbouwer. Het beroep op het ne bis in idem-beginsel werd eveneens verworpen, omdat de randvoorwaardenkorting geen punitieve sanctie is. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar appellant kreeg het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de randvoorwaardenkorting van 3% wordt ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.