ECLI:NL:CBB:2017:163

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
8 mei 2017
Publicatiedatum
17 mei 2017
Zaaknummer
17/421
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • E.R. Eggeraat
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet dieren
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening teruggave honden en katten na bestuursdwang

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot teruggave van zes honden en drie katten die op 16 maart 2017 door verweerder zijn meegenomen en opgeslagen wegens niet-naleving van een last onder bestuursdwang opgelegd op 9 maart 2017.

Verzoekster betwist niet dat de last onder bestuursdwang terecht is opgelegd, maar stelt dat de termijn om aan de maatregelen te voldoen te kort was en dat de kosten van €5.400 te hoog zijn. Tevens stelt zij dat enkele dieren al een nieuwe eigenaar hadden of niet van haar waren.

Verweerder stelt dat de rechtmatigheid van het meenemen van de dieren niet ter discussie staat omdat dit op grond van het primair besluit I is gebeurd, waartegen geen bezwaar is gemaakt. De toezichtrapporten en veterinaire verklaring tonen aan dat niet aan de last is voldaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat de aangevoerde bezwaren niet leiden tot de verwachting dat het besluit in de bezwaarprocedure zal worden vernietigd.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot teruggave van de honden en katten wordt afgewezen.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/421
11351
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Biemond),
en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2017 (primair besluit I) heeft verweerder aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren.
Bij besluit van eveneens 9 maart 2017 (primair besluit II) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren.
Bij brief van 23 maart 2017 heeft verweerder de op 16 maart 2017 gedane vaststelling dat niet is voldaan aan de last onder bestuursdwang op schrift gesteld.
Verzoekster heeft tegen primair besluit II bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2017. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is verschenen, bijgestaan door C. de Jong en B. van Rooij.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt tot de teruggave van verscheidene honden en katten die op 16 maart 2017 door verweerder zijn meegevoerd en opgeslagen vanwege niet-naleving van de bij primair besluit I opgelegde maatregelen. Verzoekster verzoekt om teruggave van zes van de meegevoerde honden en drie van de meegevoerde katten. Verzoekster stelt dat zij voor twee honden al een nieuwe baas had gevonden en dat een van de andere honden niet van haar, maar van een kennis uit de Verenigde Staten was. Verzoekster is doende zich op een locatie buiten Nederland te vestigen waar meer dan voldoende ruimte is om in ieder geval drie van de honden en drie van de katten te huisvesten. Verzoekster betwist niet dat verweerder een last onder bestuursdwang heeft mogen opleggen, maar stelt dat verweerder aan haar een te korte termijn heeft gegeven om te kunnen voldoen aan de bij primair besluit I opgelegde maatregelen. De bij brief van 23 maart 2017 aangezegde kosten van € 5.400,-- zijn te hoog en door de teruggave van de meegevoerde dieren afhankelijk te stellen van betaling van een dergelijk bedrag maakt verweerder misbruik van recht.
3. Volgens verweerder heeft verzoekster enkel bezwaar gemaakt tegen primair besluit II en niet tegen primair besluit I. Aangezien de dieren op grond van primair besluit I zijn meegevoerd, staat de rechtmatigheid daarvan niet ter discussie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de gedetailleerde toezichtrapporten van de hercontrole van 16 maart 2017, de daarbij behorende foto’s en de veterinaire verklaring blijkt dat niet is voldaan aan de last onder bestuursdwang. Verweerder heeft voorts wel degelijk rekening gehouden met het gegeven dat enkele honden op zeer korte termijn een nieuwe baas zouden krijgen. Blijkens het toezichtrapport van de hercontrole zijn drie honden tijdelijk bij de buurvrouw van verzoekster gehuisvest met het oog op plaatsing bij een nieuwe baas. Ten aanzien van de drie (andere) honden waarvan verzoekster ter zitting bij de voorzieningenrechter heeft gesteld dat zij naar een nieuwe baas zouden gaan, respectievelijk eigendom zijn van een kennis in de Verenigde Staten, betoogt verweerder dat verzoekster haar standpunt niet nader (met stukken) heeft onderbouwd.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de (eventuele) kosten voor het toepassen van bestuursdwang in de onderhavige procedure niet ter discussie staan, aangezien verweerder (nog) geen kostenbesluit heeft genomen. Enkel de rechtmatigheid van de bij primair besluit I opgelegde last onder bestuursdwang kan in deze procedure ter beoordeling staan. Voor zover verzoeksters bezwaar geacht kan worden ook gericht te zijn tegen primair besluit I, kan hetgeen verzoekster tegen dit besluit heeft aangevoerd niet leiden tot de gerechtvaardigde verwachting dat dit besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek derhalve af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. A.N. Vroege, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2017.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. A.N. Vroege