1.5Bij het primaire besluit heeft verweerder bij de vaststelling van de subsidie een verhoudingsgewijze korting toegepast, omdat de officiële duur van de investering in de trekker en de ploeg met zes weken, respectievelijk drie maanden is overschreden. De investering in de trekker is afgerond op 10 augustus 2015 en de investering in de ploeg op 29 september 2015. Vanwege de overschrijding is op de subsidie voor de trekker een korting van 9% toegepast en op de subsidie voor de ploeg een korting van 20%.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Het uitvoeren van een investering in een machine vereist dat die machine daadwerkelijk op het bedrijf van de subsidie-ontvanger aanwezig is. Indien dat niet het geval is en de machine om wat voor reden dan ook niet wordt gebruikt, voldoet de investering niet aan het doel van de Regeling. Omdat de machines op 1 juli 2015 nog niet op het bedrijf van appellant aanwezig waren, konden deze toen ook niet effectief worden ingezet.
3. Appellant komt op tegen de door verweerder bij de vaststelling van de subsidie toegepaste korting en voert daartoe het volgende aan. De investering in de machines is gezien de overeenkomsten en facturen gerealiseerd voor 1 juli 2015. De beslissing de machines te kopen is op 26 juni 2015 genomen. Vohamij had de machines op voorraad en klaar voor gebruik. De machines stonden gedurende de zomerperiode van 2015 gestald bij Vohamij voor aanpassingen en na-montage en zijn op 10 augustus 2015 en 29 september 2015 in gebruik genomen.
4. Verweerder heeft bij gelegenheid van het onderzoek ter zitting verweer gevoerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant de investering in de machines niet volledig heeft gerealiseerd op 1 juli 2015. Het volledig realiseren van de investering betekent dat de machines uiterlijk op 1 juli 2015 moeten zijn geleverd en daadwerkelijk aanwezig moeten zijn op het bedrijf, bijzondere omstandigheden daargelaten. Nu de machines op 1 juli 2015 nog niet aan appellant waren geleverd, kon hij ze ook niet beschikbaar hebben voor gebruik.
5. Het College overweegt als volgt. In artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening vaststelt. Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Op grond van artikel 1:12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling voert de subsidie-ontvanger de activiteiten waarvoor subsidie is verleend uit met inachtneming van de bij of krachtens deze regeling gestelde vereisten voor of voorwaarden bij subsidieverlening. In het verleningsbesluit is bepaald dat een vereiste voor vaststelling is dat de investering uiterlijk 1 juli 2015 volledig moet zijn gerealiseerd en betaald. Het College deelt, gelet op doel en strekking van deze subsidie, het standpunt van verweerder dat het vereiste dat de investering volledig moet zijn gerealiseerd met zich brengt dat de subsidie-ontvanger de machines niet alleen geleverd moet hebben gekregen, maar ook dat deze daadwerkelijk op het bedrijf aanwezig moeten zijn. Appellant heeft niet aangetoond dat de machines uiterlijk 1 juli 2015 daadwerkelijk op zijn bedrijf aanwezig waren. Gelet op de werkorderbonnen van Vohamij zijn de machines pas na 1 juli 2015 feitelijk aan appellant ter hand gesteld. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder hier anders had moeten oordelen is niet gebleken. Verweerder heeft de subsidie dan ook op een lager bedrag kunnen vaststellen, waarbij niet met vrucht kan worden gezegd dat verweerder bij de afweging tussen de handhaving van de onderhavige verplichting enerzijds en de gevolgen voor appellant van een lagere vaststelling van de subsidie anderzijds onredelijk te werk is gegaan.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.