ECLI:NL:CBB:2017:35

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 februari 2017
Publicatiedatum
13 februari 2017
Zaaknummer
14/516
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.R. Winter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 MswArt. 8 MswVerordening (EG) nr. 73/2009Richtlijn nr. 91/676/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting GLB-inkomenssteun wegens overtreding Meststoffenwet in 2011

Appellante, een melkveebedrijf, kreeg een korting van 3% op de bedrijfstoeslag 2011 opgelegd wegens het niet naleven van een randvoorwaarde uit de Meststoffenwet (Msw). Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar, waarna appellante beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De zaak werd behandeld samen met een hoger beroep inzake een bestuurlijke boete wegens dezelfde overtreding van de Msw. De rechtbank had eerder vastgesteld dat appellante de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en stikstof had overschreden, waardoor de uitzondering op het verbod op het uitbrengen van meststoffen niet op haar van toepassing was.

Het College bevestigde dat appellante de beheerseisen uit de Verordening (EG) nr. 73/2009 en de Nitraatrichtlijn, geïmplementeerd in artikel 7 en Pro 8 van de Msw, niet had nageleefd. Hierdoor was de korting van 3% op de inkomenssteun terecht toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de korting van 3% op de GLB-inkomenssteun wegens overtreding van de Meststoffenwet wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/516
5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2016

De maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ( Melkveebedrijf [naam 4] ), te [plaats] , appellante,
(gemachtigde: mr. R. Scholten),
en

de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: verweerder)

(gemachtigde: mr. M. Leegsma en mr. A.H. Spriensma-Heringa)

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een korting van 3% op de aan appellante voor het jaar 2011 te verlenen rechtstreekse betalingen toegepast wegens het niet naleven van een randvoorwaarde.
Bij besluit van 26 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2016, waar de zaak gevoegd is behandeld met de zaak van appellante geregistreerd onder zaaknummer AWB 15/355, waarin het hoger beroep van appellante ten aanzien van de haar opgelegde bestuurlijke boete wegens het niet naleven van de Meststoffenwet (Msw) voorligt. Deze laatste zaak is vervolgens voor het doen van uitspraak weer gesplitst.
Voor appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij het primaire besluit een korting van 3% toegepast op de bedrijfstoeslag voor het jaar 2011 wegens het niet naleven door appellante van de Msw in dat jaar.
1.2
Ingevolge Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009), artikel 4, dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II bij Verordening 73/2009 verwijst voor de beheerseisen als bedoeld in artikel 4 van Pro diezelfde verordening naar Richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen (de Nitraatrichtlijn) en dan specifiek de artikelen 4 en 5 hiervan. Artikel 5 van Pro de Nitraatrichtlijn is in Nederland onder meer geïmplementeerd in artikel 7 van Pro de Msw, in samenhang met artikel 8 van Pro de Msw.
1.3
De Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) strekte ter uitvoering van Verordening 73/2009. In artikel 3 van Pro de Regeling werd bepaald dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor steun overeenkomstig Verordening 73/2009 de in de artikelen 4 en 5 van Verordening 73/2009 bedoelde beheerseisen, zoals ook opgenomen in Bijlage 1 bij de Regeling, in acht dient te nemen. Punt 7 van Bijlage 1 (Beheerseisen als bedoeld in artikel 3) bij de Regeling verwijst naar de norm die volgt uit artikel 7 in Pro samenhang met artikel 8 van Pro de Msw.
2.1
Appellante stelt zich op het standpunt dat ten onrechte een korting op haar bedrijfstoeslag 2011 is toegepast en heeft in dat verband aangevoerd dat er geen sprake is van overtreding van de Msw. Zij verwijst daarbij naar hetgeen zij heeft aangevoerd in de hiervoor vermelde procedure onder zaaknummer AWB 15/355.
2.2
Het College overweegt dienaangaande als volgt. Verweerder heeft aan appellante wegens overtreding van artikel 7 in Pro verbinding met artikel 8 van Pro de Msw in het jaar 2011 een bestuurlijke boete opgelegd. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van 27 maart 2015, met kenmerk LEE 14/4501, op het door appellante terzake ingestelde beroep vastgesteld dat artikel 7 Msw Pro is overtreden door appellante. Door appellante is zowel de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen overschreden als de stikstofgebruiksnorm, zodat de uitzondering op het verbod op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen voor haar niet geldt. In het door appellante tegen deze uitspraak bij het College ingestelde hoger beroep (zaaknummer 15/355), waarin het College heden uitspraak heeft gedaan, is bevestigd dat appellante in 2011 de gebruiksnormen heeft overschreden. Het door appellante ingenomen standpunt dat er geen sprake is van overtreding van de Msw volgt het College derhalve niet. Uit Verordening 73/2009 in samenhang met de Nitraatrichtlijn, de implementatie van deze richtlijn in artikel 7, in verbinding met artikel 8 van Pro de Meststoffenwet, en artikel 3 van Pro en punt 7 van Bijlage 1 bij de Regeling (zie hiervoor onder 1.2 en 1.3) volgt dat zij om aanspraak te kunnen maken op het volledige bedrag van de inkomenssteun onder meer artikel 7, voornoemd, had moeten naleven, hetgeen zij, naar blijkt, dus niet heeft gedaan. Verweerder was dan ook gehouden een randvoorwaardenkorting van 3% toe te passen. De beroepsgrond van appellante faalt.
3. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante ongegrond is.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.
w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk