ECLI:NL:CBB:2017:411

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 december 2017
Publicatiedatum
21 december 2017
Zaaknummer
17/1791
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E.R. Eggeraat
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 lid 3 Verordening (EG) nr. 1069/2009Art. 46 Verordening (EG) nr. 1069/2009Art. 8:87 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij geschil over registratie en productie biodiesel met afwijkende parameters

Verzoekster Biodiesel Amsterdam B.V. had een aanvraag ingediend voor registratie van haar bedrijf voor de productie van biodiesel uit categorie 1-, 2- en 3-materiaal met een verwerkingsmethode met afwijkende parameters. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wees deze aanvraag af en legde een definitief verbod op de productie met standaardparameters, waarbij de registratie werd ingetrokken en onmiddellijke stillegging werd bevolen onder dreiging van een dwangsom.

Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting werd het onderzoek geschorst om verzoekster de gelegenheid te geven een nieuwe aanvraag in te dienen. Na een nieuwe audit wees de minister ook deze aanvraag af. De voorzieningenrechter vervolgde het onderzoek en besloot het primaire besluit te schorsen voor zover het de stillegging en dwangsom betreft, zodat verzoekster de biodieselproductie met de afwijkende parameters mag voortzetten tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter motiveerde dit door te constateren dat verzoekster aanzienlijke verbeteringen in haar bedrijfsvoering had doorgevoerd en dat de risico’s voor volksgezondheid en voedselveiligheid voorlopig vooral theoretisch zijn. Gedurende de bezwaarprocedure kan de NVWA monitoren en zo nodig een nieuwe audit uitvoeren. Tevens veroordeelde de voorzieningenrechter de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het primaire besluit tot stillegging en dwangsom wordt geschorst en verzoekster mag biodiesel blijven produceren met afwijkende parameters tot zes weken na bezwaarbeslissing.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 17/1791
[11350]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Biodiesel Amsterdam B.V., te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. J.C. Ozinga),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een registratie van het bedrijf Biodiesel Amsterdam B.V. voor de productie van biodiesel uit categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal en categorie 3- materiaal met een verwerkingsmethode met afwijkende parameters afgewezen. Verweerder heeft verzoekster in dat besluit tevens definitief verboden activiteiten met een verwerkingsmethode met standaardparameters op grond van artikel 46 van Pro de Verordening (EG) nr. 1069/2009 (Verordening) uit te voeren en is de registratie van verzoekster met nummer 35975 komen te vervallen (lees: ingetrokken). Ten slotte heeft verweerder verzoekster opgedragen ervoor zorg te dragen dat de voornoemde activiteiten met onmiddellijke ingang worden stilgelegd op grond van artikel 44, derde lid van Verordening, onder verbeurte van een dwangsom van € 12.500,- per dag dat niet aan de verplichting is voldaan met een maximum van € 125.000,-
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2017.
Appellante is vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door gemachtigde Ozinga. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 3] , senior inspecteur auditor bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA).
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten einde verzoekster in de gelegenheid te stellen een nieuwe aanvraag in te dienen voor productie van biodiesel met een verwerkingsmethode met afwijkende parameters en om verweerder in de gelegenheid te stellen naar aanleiding van die aanvraag een nieuwe audit te doen plaatsvinden.
Verzoekster heeft op 11 december 2017 een nieuwe aanvraag ingediend, waarna op 13 en 14 december 2017 een audit door de NVWA heeft plaatsgevonden op het bedrijf van verzoekster.
Bij besluit van 19 december 2017 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 11 december 2017 afgewezen. Bij dit besluit heeft verweerder het rapport van de systeemaudit, gedateerd 18 december 2017 gevoegd.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting op 21 december 2017 voortgezet.
Appellante is vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door gemachtigde Ozinga. Aan de zijde van appellante zijn tevens verschenen C. Veerman en F. van Brenk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam 3] en [naam 4] .
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst, voor zover daarin is vervat de verplichting de productie van biodiesel met onmiddellijke ingang stil te leggen en daarbij een last onder dwangsom is opgelegd en treft de voorziening dat verzoekster biodiesel mag blijven produceren op grond van de door haar in de aanvraag van 11 december 2017 opgenomen verwerkingsmethode met afwijkende parameters, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1495,-.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat verzoekster in de loop van 2017 aanzienlijke verbeteringen in haar bedrijfsvoering heeft bewerkstelligd, ook op het punt van administratie, registratie en borging, al zijn er in dat opzicht nog wel onvolkomenheden, zoals uit de laatste audit op 13 en 14 december 2017 naar voren is gekomen. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat verzoekster niet in staat is haar procedures zodanig te verbeteren dat de productie van biodiesel conform de afwijkende parameters kan plaatsvinden. De risico’s voor de volksgezondheid en voedselveiligheid zijn naar voorlopig oordeel bij de huidige productiemethode vooral theoretisch aanwezig.
2. In het licht van het vorenstaande verdient verzoekster, bij afweging van de betrokken belangen, de kans te krijgen om in de bezwaarfase te laten zien dat zij haar bedrijfsvoering geheel op orde kan krijgen en dat de kritiekpunten van NVWA kunnen worden weggenomen. Daarbij neemt voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster ter zitting heeft toegelicht dat zij na de laatste audit verbeteringen heeft doorgevoerd.
3. Gedurende de bezwaarfase zal NVWA de bedrijfsvoering kunnen monitoren en voorafgaand aan de beslissing op bezwaar opnieuw een audit uitvoeren.
4. Mocht NVWA constateren dat de voortzetting van de bedrijfsvoering tot onverantwoorde risico’s leidt, dan kan zij de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:87 van Pro de algemene wet bestuursrecht om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening vragen.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1485(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier. griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.M.T. Plouvier