ECLI:NL:CBB:2017:443

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 oktober 2017
Publicatiedatum
8 februari 2018
Zaaknummer
14/537
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • R.R. Winter
  • H.A.B. van Dorst-Tatomir
  • T.P.J.N. van Rijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Verordening 73/2009Art. 5 NitraatrichtlijnArt. 7 MswArt. 8 MswArt. 3 Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting GLB-inkomenssteun wegens overtreding Meststoffenwet in 2010

Appellant kreeg op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 een korting van 3% op zijn bedrijfstoeslag voor 2010 vanwege het niet naleven van een randvoorwaarde, namelijk overtreding van de Meststoffenwet (Msw). Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd en appellant stelde beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Het College overwoog dat de overtreding van artikel 7 in Pro verbinding met artikel 8 van Pro de Msw door appellant was vastgesteld door de rechtbank in een eerdere procedure. Deze overtreding hield onder meer in dat de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en stikstof werden overschreden, waardoor de uitzondering op het verbod om meststoffen op of in de bodem te brengen niet voor appellant gold.

Het College bevestigde dat de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009, voorschrijft dat beheerseisen zoals opgenomen in de Nitraatrichtlijn en de Msw moeten worden nageleefd om aanspraak te maken op volledige inkomenssteun. Omdat appellant deze eisen niet had nageleefd, was de korting van 3% terecht toegepast.

Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de korting van 3% op de GLB-inkomenssteun wegens overtreding van de Meststoffenwet wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/537
5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2017

[naam] , te [plaats] , appellant,

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: verweerder)

(gemachtigde: mr. M. Leegsma en A.H. Spriensma-Heringa)

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een korting van 3% op de aan appellant voor het jaar 2010 te verlenen rechtstreekse betalingen toegepast wegens het niet naleven van een randvoorwaarde.
Bij besluit van 3 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door appellant ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016, waar de zaak gevoegd is behandeld met de zaak van appellante geregistreerd onder zaaknummer AWB 15/354 waarin onder meer het hoger beroep van appellant ten aanzien van de aan hem opgelegde bestuurlijke boete wegens het niet naleven van de Meststoffenwet (Msw) in 2010 voorligt. Deze laatste zaak is vervolgens voor het doen van uitspraak weer gesplitst.
Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij het primaire besluit een korting van 3% toegepast op de bedrijfstoeslag voor het jaar 2010 wegens het niet naleven door appellant van de Msw in dat jaar.
1.2
Ingevolge Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009), artikel 4, dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II bij Verordening 73/2009 verwijst voor de beheerseisen als bedoeld in artikel 4 van Pro diezelfde verordening naar Richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen (de Nitraatrichtlijn) en dan specifiek de artikelen 4 en 5 hiervan. Artikel 5 van Pro de Nitraatrichtlijn is in Nederland onder meer geïmplementeerd in artikel 7 van Pro de Msw, in samenhang met artikel 8 van Pro de Msw.
1.3
De Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) strekte ter uitvoering van Verordening 73/2009. In artikel 3 van Pro de Regeling werd bepaald dat een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor steun overeenkomstig Verordening 73/2009 de in de artikelen 4 en 5 van Verordening 73/2009 bedoelde beheerseisen, zoals ook opgenomen in Bijlage 1 bij de Regeling, in acht dient te nemen. Punt 7 van Bijlage 1 (Beheerseisen als bedoeld in artikel 3) bij de Regeling verwijst naar de norm die volgt uit artikel 7 in Pro samenhang met artikel 8 van Pro de Msw.
2.1
Appellant stelt zich op het standpunt dat ten onrechte een korting op zijn bedrijfstoeslag 2010 is toegepast en heeft in dat verband aangevoerd dat er geen sprake is van overtreding van de Msw. Hij verwijst daarbij naar hetgeen hij heeft aangevoerd in de hiervoor vermelde procedure onder zaaknummer AWB 15/354.
2.2
Het College overweegt dienaangaande als volgt. Verweerder heeft aan appellant wegens overtreding van artikel 7 in Pro verbinding met artikel 8 van Pro de Msw, onder meer, in het jaar 2010 een bestuurlijke boete opgelegd. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van 27 maart 2015, met kenmerk LEE 14/4512 en LEE 14/4645, vastgesteld dat artikel 7 Msw Pro in 2010 is overtreden door appellant. Door appellant is zowel de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen overschreden als de stikstofgebruiksnorm, zodat de uitzondering op het verbod op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen voor hem niet geldt. In het door appellant tegen deze uitspraak bij het College ingestelde hoger beroep (zaaknummer 15/354), waarin het College heden uitspraak heeft gedaan, is bevestigd dat appellant in 2010 de gebruiksnormen heeft overschreden. Het door appellant ingenomen standpunt dat er geen sprake is van overtreding van de Msw volgt het College derhalve niet. Uit Verordening 73/2009 in samenhang met de Nitraatrichtlijn, de implementatie van deze richtlijn in artikel 7, in verbinding met artikel 8 van Pro de Meststoffenwet, en artikel 3 van Pro en punt 7 van Bijlage 1 bij de Regeling (zie hiervoor onder 1.2 en 1.3) volgt dat hij om aanspraak te kunnen maken op het volledige bedrag van de inkomenssteun onder meer artikel 7, voornoemd, had moeten naleven, hetgeen hij, naar blijkt, dus niet heeft gedaan. Verweerder was dan ook gehouden een randvoorwaardenkorting van 3% toe te passen. De beroepsgrond van appellant faalt.
3. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant ongegrond is.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2017.
w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk