Appellant stelde dat betrokkene, een openbaar accountant, meer dan alleen de accountant van een cliënt was en dat hij belangen had in een geschil over de koop van een pand. Tevens werd betoogd dat betrokkene betrokken was bij het maken van een geluidsopname van een gesprek op zijn kantoor, zonder appellant hiervan op de hoogte te stellen.
De accountantskamer had de klacht ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende bewijs leverde voor deze stellingen. Het College van Beroep bevestigt dit oordeel. Het concludeert dat noch de geluidsopname, noch de transcriptie, noch getuigenverklaringen steun bieden voor het bestaan van een zakelijk belang van betrokkene of zijn betrokkenheid bij de opname.
Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe argumenten aan. Het College onderschrijft de motivering van de accountantskamer en verklaart het hoger beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag.
De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 7 februari 2017.