Appellant exploiteert een varkenshouderij en kreeg op 21 november 2014 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Deze last hield onder meer in dat de varkens over vers en schoon drinkwater moesten beschikken en dat zieke dieren passend verzorgd moesten worden. Bij controles in november en december 2014 constateerden toezichthouders dat vijf zieke en gewonde varkens zonder toegang tot water en zonder strooisel op een dichte betonvloer lagen, terwijl zij nog niet waren geëuthanaseerd.
Verweerder legde een dwangsom op en vorderde deze in, waarna appellant bezwaar maakte. Bij het bestreden besluit verklaarde verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond, matigde de dwangsom tot € 10.000,- en verklaarde het bezwaar tegen een nieuw opgelegde last gedeeltelijk gegrond. Appellant stelde in beroep dat het separeren van zieke varkens zonder water geen overtreding vormde omdat de dieren bestemd waren voor euthanasie.
Het College oordeelde dat geen sprake was van een overgangssituatie waarbij tijdelijk geen water beschikbaar was, maar dat de dieren onzorgvuldig waren achtergelaten zonder passende verzorging. Het standpunt van appellant werd verworpen en het beroep ongegrond verklaard. Tevens werd bevestigd dat verweerder bevoegd was de dwangsom in bezwaar te matigen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.