Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2017op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats 1] , appellant
[betrokkene](betrokkene)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant, lid en voormalig bestuurder van een coöperatieve vereniging (CV), klaagde over diverse fouten en onjuistheden in de exploitatieverslagen 2012 en 2013, opgesteld door betrokkene, accountant en penningmeester van de CV. De klacht omvatte onder meer ontbrekende handtekeningen, onjuiste balansposten, onvolledige toelichtingen en onjuiste rubriceringen van activa en schulden.
De accountantskamer verklaarde meerdere klachten gegrond maar oordeelde dat deze materieel van gering gewicht waren en legde geen maatregel op. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de fouten een onjuist beeld van de financiële situatie van de CV schetsen en dat betrokkene wetsartikelen naar eigen goeddunken heeft geïnterpreteerd.
Het College van Beroep stelde vast dat de werkzaamheden van betrokkene na 1 januari 2013 plaatsvonden en handhaafde grotendeels de gegrondverklaringen van de accountantskamer. Het College verwierp de meeste grieven van appellant, waaronder over de looptijd van deposito’s, onderhoudsfondsen, toelichtingen en rubriceringen. Het College oordeelde dat de fouten tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn, onder meer vanwege het boeken van een bankschuld aan de debetzijde en het onjuist verwerken van vooruit ontvangen parkbijdragen.
Hoewel de accountantskamer geen maatregel oplegde, achtte het College dit onjuist en legde het zelf een waarschuwing op. Het College benadrukte dat bij gegrondverklaring van een klacht in beginsel een maatregel moet volgen, tenzij sprake is van uitermate geringe verwijtbaarheid, wat hier niet het geval was.
De uitspraak werd gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. W.E. Doolaard en mr. S.C. Stuldreher op 10 maart 2017.
Uitkomst: Het College legt een waarschuwing op aan de accountant wegens diverse fouten in de exploitatieverslagen.