Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2017 op het hoger beroep van:
[naam 1] RA, te [plaats] , appellant
[naam 2] B.V.( [naam 2] ) ingediend tegen appellant.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant, een openbaar accountant, stelde de jaarrekeningen over 2012 samen van twee projectvennootschappen, waarbij hij concludeerde dat de continuïteitsveronderstelling van toepassing was. De accountantskamer verklaarde de klacht gegrond dat de toelichting op de jaarrekeningen tekortschiet, omdat er geen aandacht was voor het negatieve eigen vermogen en het negatieve liquiditeitssaldo, terwijl dit volgens de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving vereist is.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de projectvennootschappen geconsolideerd waren in de jaarrekening van de moedermaatschappij en dat er intensief overleg was geweest over de continuïteit, waardoor hij vakbekwaam en zorgvuldig had gehandeld. Het College oordeelde echter dat de toelichting per rechtspersoon ontbrak en dat de consolidatie dit niet compenseert. Tevens was het duidelijk dat de continuïteit van de groep in het geding was en dat projectvennootschappen afgestoten moesten worden.
Het College concludeerde dat appellant ten minste voor één projectvennootschap had moeten constateren dat de verstrekte gegevens onvolledig of onbevredigend waren en dat hij nadere werkzaamheden had moeten verrichten en aanvullende informatie had moeten vragen. Door dit na te laten heeft appellant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de waarschuwing tegen appellant gehandhaafd.