ECLI:NL:CBB:2018:135
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening fosfaatrechten na bedrijfsoverdracht
Verzoekster, een vennootschap onder firma, had bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin haar fosfaatrechten waren vastgesteld op 4.309 kilogram. Zij deed tevens een beroep op de knelgevallenregeling van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en verzocht om een voorlopige voorziening om zich te mogen gedragen alsof haar extra fosfaatrechten waren toegekend.
Het geschil betrof de vraag of verzoekster, na verplaatsing van haar bedrijf en bedrijfsoverdracht aan een vennoot, in aanmerking kwam voor een verhoging van haar fosfaatrechten als nieuw gestart bedrijf. Verweerder betwistte dit en gaf aan dat er nog veel bijzonderheden waren die beoordeeld moesten worden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kon worden toegewezen omdat de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken, er geen ingebrekestelling was, en het niet duidelijk was of verzoekster voldeed aan de voorwaarden voor verhoging. Bovendien bood de voorlopige voorziening niet de gewenste zekerheid, aangezien de fosfaatproductie over een heel jaar wordt gemeten.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 2 mei 2018.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening inzake fosfaatrechten wordt afgewezen.