ECLI:NL:CBB:2018:157
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- R.R. Winter
- E.R. Eggeraat
- H.O. Kerkmeester
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetes voor overtredingen Meststoffenwet bij vervoer mest naar Duitse landbouwgronden
Appellant, een landbouwer met bedrijf aan de grens tussen Nederland en Duitsland, vervoerde mest die op zijn Nederlandse bedrijf was opgeslagen maar niet geproduceerd naar zijn Duitse landbouwgronden. De minister legde hem boetes op wegens overtreding van administratieve verplichtingen onder de Meststoffenwet, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van de Grensboerregeling uit de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
De rechtbank Limburg oordeelde dat de Grensboerregeling alleen geldt voor mest die op het eigen bedrijf is geproduceerd en verwierp het beroep van appellant. Appellant stelde in hoger beroep dat de regeling ook van toepassing is op mest die afkomstig is van het eigen bedrijf, ongeacht waar deze geproduceerd is, en dat de minister ten onrechte boetes oplegde.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het College stelt dat de Grensboerregeling uitsluitend ziet op mest die daadwerkelijk op het eigen bedrijf is geproduceerd. Het gebruik van de begrippen 'afkomstig van' en 'geproduceerd door' in de regeling is consistent en leidt niet tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het College benadrukt dat het toestaan van forfaitaire normen voor van buiten het bedrijf aangevoerde mest zou leiden tot ongeoorloofde extra gebruiksruimte, wat strijdig is met het doel van de regeling.
Daarmee is de minister terecht bevoegd geweest de boetes op te leggen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Limburg wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het College bevestigt de boetes voor overtredingen van administratieve verplichtingen bij mestvervoer naar Duitse landbouwgronden.