ECLI:NL:CBB:2018:171
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidiabele oppervlakte voor GLB-betalingsrechten op perceel 21
Appellant, een landbouwer, heeft bij zijn aanvraag voor GLB-betalingsrechten voor 2015 opgegeven dat perceel 21 een oppervlakte van 0,85 hectare zou hebben. Verweerder stelde bij het primaire besluit de subsidiabele oppervlakte vast op 0,84 hectare, mede gebaseerd op luchtfoto’s waaruit blijkt dat een deel van het perceel niet als landbouwgrond kan worden aangemerkt. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit bezwaar werd bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In het beroep stelt appellant dat hij eind 2014 een coniferenhaag heeft verwijderd waardoor de oppervlakte landbouwgrond is toegenomen en dat de 2%-marge die verweerder toepast niet van toepassing is. Verweerder verklaarde dat het verschil in oppervlakte minder dan 0,01 hectare bedraagt en dat de marge daarom terecht is toegepast. Het College concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij 0,85 hectare heeft opgegeven en wijst erop dat de oppervlakte voor betalingsrechten kan verschillen van die voor mest vanwege verschillende criteria.
Verder oordeelt het College dat verweerder de 2%-marge terecht toepast en dat er geen duidelijke verandering in het veld is aangetoond die een aanpassing van het referentieperceel rechtvaardigt. De door appellant getoonde foto’s bieden onvoldoende bewijs voor de bewering dat de haag in 2015 is verwijderd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en appellant wordt niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde oppervlakte van 0,84 hectare blijft gehandhaafd.