ECLI:NL:CBB:2018:178
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Last onder dwangsom voor illegaal taxivervoer zonder vergunning
Appellant werd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, omdat hij taxivervoer verrichtte zonder vergunning. De Inspectie voor Verkeer en Waterstaat en de politie voerden een onderzoek uit waarbij toezichthouders zich voordeden als klanten en constateerden dat appellant een prijsafspraak maakte en vervoer verrichtte.
Appellant voerde aan dat hij geen betaling had ontvangen en dat hij na afloop duidelijk had gemaakt geen geld te willen ontvangen. Tevens stelde hij dat het bewijs onvoldoende was en dat het toezicht op de toepassing van artikel 126i Wetboek van Strafvordering aan de strafrechter toekomt. Verweerder stelde dat de overtreding bewezen was en dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding stond tot het geschonden belang.
Het College oordeelde dat het maken van een prijsafspraak en het verrichten van vervoer zonder vergunning kwalificeert als overtreding van artikel 76 Wp2000. De overige beroepsgronden faalden, mede omdat appellant de feiten erkende. Het College bevestigde dat het toezicht op artikel 126i WvSr aan de strafrechter toekomt en dat de hoogte van de dwangsom passend is. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens het verrichten van taxivervoer zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.