Appellante, Maatschap [naam 1], verzocht om een extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2015, welke door verweerder werd afgewezen op grond van het vermeende bestaan van een proefmaatschap. Verweerder stelde dat één van de maten, [naam 4], niet voldeed aan de eis van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap vanwege een blokkeringsrecht in de maatschapsovereenkomst.
Het College overwoog dat de maatschap voor onbepaalde tijd is aangegaan en dat de beperkte periode waarin de jonge landbouwer geen voortzettingsrecht heeft, ziet op het voortzettingsrecht en niet op de duur van de maatschap zelf. Dit betekent dat er geen sprake is van een proefmaatschap zoals verweerder betoogde.
Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante.