Appellant exploiteert een pluimveebedrijf met twee productie-eenheden: een vrije uitloopstal en een biologische stal. Na onderzoek is het Aviaire Influenza virus type H7 vastgesteld in de vrije uitloopstal, niet in de biologische stal. Desondanks heeft de minister het gehele pluimvee, inclusief dat in de biologische stal, als verdacht aangemerkt en maatregelen opgelegd tot ruiming.
Appellant voerde aan dat de stallen als aparte bedrijven met eigen UBN’s moeten worden beschouwd en dat de ruiming van de biologische stal disproportioneel en onzorgvuldig was. Ook stelde appellant dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat bij een vergelijkbaar geval niet het gehele bedrijf werd geruimd.
Het College oordeelt dat het bedrijf uit twee productie-eenheden bestaat, maar dat deze epidemiologisch niet gescheiden zijn vanwege de nabijheid en het contact tussen dieren via aangrenzende uitlopen. De minister heeft op grond van een risicoanalyse en het beleidsdraaiboek terecht besloten tot ruiming van het gehele pluimvee. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard.