Het geschil betreft de toewijzing en uitbetaling van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB aan [naam 1], die sinds 2015 een eenmanszaak heeft naast zijn lidmaatschap van de maatschap [naam 2]. Verweerder heeft aanvragen van [naam 1] voor toewijzing en uitbetaling van betalingsrechten voor de jaren 2015 en 2016 afgewezen en de bezwaren ongegrond verklaard.
De kern van het geschil is of de oprichting van de eenmanszaak en de grondgebruikersverklaring een afsplitsing van de maatschap vormen waardoor [naam 1] zelfstandig betalingsrechten kan verkrijgen. Het College stelt vast dat de Europese regelgeving geen nadere voorwaarden stelt voor de afsplitsing, maar dat volgens nationale regelgeving (Boek 7A BW) bij afsplitsing vermogensbestanddelen uit de maatschap moeten worden overgedragen.
Het College oordeelt dat de grondgebruikersverklaring onvoldoende bewijs levert dat vermogensbestanddelen zijn overgedragen, en dat de percelen nog steeds deel uitmaken van de maatschap. Hierdoor is er geen sprake van een afsplitsing die toewijzing van betalingsrechten aan de eenmanszaak rechtvaardigt. De beroepen van de maatschap worden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de primaire besluiten. De beroepen van [naam 1] worden ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.