Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2018 in de zaken tussen
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
.
Overwegingen
.Appellante heeft dit niet betwist. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:197 heeft geoordeeld, mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Gelet hierop mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de door hem vastgestelde oppervlakte van de percelen 12, 13 en 16. Dat betekent dat in dit geding de (subsidiabele) oppervlakte van de percelen 4, 8 en 14 nog aan de orde is.
,ziet het College geen aanleiding om het standpunt van verweerder onjuist te achten. Daarvoor is het volgende redengevend. Op grond van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013) wordt onder een subsidiabele hectare verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit. Om voor betalingsrechten in aanmerking te komen, is dus onvoldoende dat grond voor landbouwactiviteiten, zoals begrazing door vee, wordt gebruikt. De grond moet ook landbouwareaal zijn. Landbouwareaal is gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013 om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten. Naar het oordeel van het College is het op basis van de luchtfoto’s van perceel 4 over de jaren 2012 tot en met 2015 duidelijk zichtbaar dat er al jaren geen sprake is van enige begroeiing met gras. Het is dan ook niet aannemelijk dat dit perceel wordt gebruikt voor landbouwactiviteiten.
.Voorts is het College van oordeel dat appellante de eerst ter zitting bij het College naar voren gebrachte grond, dat een op verzoek door verweerder door haar gegeven inhoudelijke reactie in bezwaar een voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling is, tardief naar voren heeft gebracht en dat deze buiten beschouwing dient te blijven. Daarbij overweegt het College dat niet valt in te zien dat appellante deze nieuwe grond niet eerder in beroep had kunnen formuleren, zodat verweerder voldoende gelegenheid was geboden om zijn verdediging hierop in te richten.