ECLI:NL:CBB:2018:506

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
4 september 2018
Publicatiedatum
3 oktober 2018
Zaaknummer
18/1167
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:3 AwbArt. 23, derde lid, Msw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar fosfaatrechtenbeschikking

Appellante diende een pro forma-bezwaarschrift in tegen het primaire besluit waarbij het fosfaatrecht werd vastgesteld. Verweerder stelde appellante in de gelegenheid om binnen vier weken de bezwaargronden te motiveren, maar appellante faalde hierin. Verweerder verklaarde het bezwaar daarop terecht niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb Pro, omdat geen omstandigheden waren die het verzuim rechtvaardigden.

Appellante voerde aan dat zij gehoord had willen worden en dat de termijn voor het aanvullen van de gronden te kort was. Ook had zij verwacht dat verweerder telefonisch contact zou opnemen na het verstrijken van de termijn. Het College oordeelde dat appellante de gelegenheid had gehad om het verzuim te herstellen en dat zij tijdig uitstel had moeten vragen indien nodig, wat zij niet had gedaan.

Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring terecht en kon verweerder afzien van het horen van appellante. Het College zag geen aanleiding om de inhoudelijke beroepsgronden te beoordelen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1167
17000

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2018 in de zaak tussen

Melkveebedrijf [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] ),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Krari en mr. J.H. Eleveld).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.614 kg.
Bij besluit van 8 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1
Bij brief van 21 februari 2018 heeft appellante een pro forma-bezwaarschrift ingediend, gericht tegen het primaire besluit.
1.2
Bij brief van 13 maart 2018 heeft verweerder appellante in de gelegenheid gesteld om de bezwaargronden binnen een termijn van vier weken (tot 10 april 2018), in te dienen.
1.3
Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder ervan afgezien appellante te horen.
1.4
Appellante heeft het bezwaar niet gemotiveerd.
1.5
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat hem geen omstandigheden bekend waren die het verzuim rechtvaardigen.
2. Appellante voert aan dat zij gehoord had willen worden om het bezwaarschrift toe te kunnen lichten. Verder voert zij aan dat de haar voor het aanvullen van de gronden gestelde termijn te kort was. Zij had verwacht dat verweerder telefonisch contact zou opnemen na het verstrijken van deze termijn.
3.1
In geschil is of verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.2
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb Pro, mits indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
3.3
Verweerder heeft appellante de gelegenheid geboden haar verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Appellante heeft de bezwaargronden niet ingediend en het verzuim is dan ook niet hersteld. Als zij meer tijd nodig had, had zij zelf tijdig (dat wil zeggen binnen de hersteltermijn) aan verweerder (verder) uitstel moeten vragen. Dat heeft zij niet gedaan. Naar het oordeel van het College heeft verweerder het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nu het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was, kon verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb ook afzien van het horen van appellante. Het College komt niet toe aan de beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018.
w.g. R.C. Stam w.g. L. ten Hove