Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2018 in de zaak tussen
Academisch Medisch Centrumte Amsterdam,
Erasmus MCte Rotterdam,
Leids Universitair Medisch Centrumte Leiden,
Maastricht UMC+te Maastricht,
Universitair Medisch Centrum Groningente Groningen,
Radboudumcte Nijmegen,
Universitair Medisch Centrum Utrechtte Utrecht,
VUmcte Amsterdam,
(hierna gezamenlijk: de UMC’s)
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
Procesverloop
– onder meer – de beschikbaarheid van academische zorg.
De UMC’s werden vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Namens de UMC’s zijn voorts verschenen [naam 1] (Leids Universitair Medisch Centrum), [naam 2] (Radboudumc) en [naam 3] (Nederlandse Federatie van de Universitair Medische Centra).
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Voorts zijn namens verweerster verschenen [naam 4] en [naam 5] .
Overwegingen
De beschikbaarheidbijdrage academische zorg is een vorm van subsidie, die door middel van een verleningsbeschikking wordt toegekend en vervolgens met een vaststellingsbeschikking definitief wordt vastgesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb moet een subsidie na een besluit tot subsidieverlening overeenkomstig de subsidieverlening worden vastgesteld. Zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 april 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA1512), brengt dit met zich dat bezwaren die in wezen zijn gericht tegen de subsidieverlening niet meer kunnen worden ingebracht tegen de vaststelling van de subsidie. Dit betekent dat het College niet toekomt aan een beoordeling van de beroepsgronden die bij aanvullend beroepschrift van 31 augustus 2016 zijn aangevoerd tegen de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg voor het jaar 2013.
– bepalen wat in het ideaalcomplex de vergoeding voor kapitaallasten voor academische zorg zou zijn geweest wanneer de budgetbekostiging was voortgezet – acht het College het niet onredelijk dat verweerster daarbij is uitgegaan van een gemiddelde stijging van 3,27% per jaar, zijnde het percentage waarmee het DHAZ-kader in de periode 2004-2012 is toegenomen. De hiertegen gerichte beroepsgrond faalt.