ECLI:NL:CBB:2018:593

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
16 november 2018
Zaaknummer
17/1153
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na verkoop minderheidsbelang in onderneming

Appellante, een participatiebedrijf dat investeert in ondernemingen en gebruikmaakt van de Groeifaciliteit, had een aanvraag om kapitaalverstrekking afgewezen zien worden door de minister van Economische Zaken en Klimaat. De aanvraag werd afgewezen omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt hoe zij de investering commercieel rendabel zou maken.

Appellante betoogde dat de rentabiliteit en continuïteit op het niveau van de onderneming moesten worden beoordeeld en dat zij nog steeds procesbelang had omdat zij haar minderheidsbelang in de onderneming begin oktober 2018 had verkocht. Tevens stelde zij dat de toetsing ex tunc plaatsvindt en dat de verkoop ongedaan gemaakt kon worden, waardoor zij mogelijk schade zou lijden.

Het College oordeelde dat procesbelang alleen bestaat als het nastreven van het resultaat met het beroep daadwerkelijk kan worden bereikt en dat dit een feitelijke betekenis moet hebben. De argumenten van appellante achtte het College te speculatief om als procesbelang te gelden.

Daarom verklaarde het College het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd mondeling gedaan op 6 november 2018 door de meervoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1153
27300
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2018 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigden: mr. R.T Wiegerink en mr. I.F. Stolze),
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik en drs.ing. M.C.M.W. Preijde).

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om kapitaalverstrekking op grond van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (het Kaderbesluit) en de Regeling nationale EZ-subsidies, titel 3.12 Groeifaciliteit (de Regeling) ter hoogte van € 508.572,- afgewezen.
Bij besluit van 16 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2018.
Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, vergezeld door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Appellante is een participatiebedrijf dat op verschillende manieren investeert in ondernemingen, bijvoorbeeld door middel van aandelen of achtergestelde leningen. Appellante maakt regelmatig gebruik van de Groeifaciliteit, een regeling die inhoudt dat de Staat voor 50% van de waarde van het risicokapitaal garant staat.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de rentabiliteit en de continuïteit zowel op het niveau van de onderneming als op het niveau van de investering zelf moeten worden beoordeeld. Verweerder dient te toetsen of de investering commercieel interessant is. Appellante heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe zij de investering terug wil verdienen en daarom is de aanvraag om gebruik te maken van de groeifaciliteit terecht afgewezen, aldus verweerder.
3. Appellante voert aan dat de voorwaarden van rentabiliteit en continuïteit op het niveau van de onderneming, [naam 3] B.V., moeten worden beoordeeld. [naam 3] B.V. voldoet aan deze voorwaarden. Verweerder heeft de aanvraag dan ook ten onrechte afgewezen.
4. Ter zitting heeft appellante medegedeeld dat zij haar minderheidsbelang in [naam 3] B.V. begin oktober 2018 heeft verkocht. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij ondanks de verkoop van haar belang nog steeds procesbelang heeft bij dit beroep. Immers, de toetsing vindt ex tunc plaats. Ten tijde van het bestreden besluit en het indienen van het beroepschrift had zij nog wel een belang in [naam 3] B.V. Daarbij kan om wat voor reden dan ook de verkoop ongedaan worden gemaakt, waardoor appellante mogelijk een claim tegen zich gericht krijgt en mogelijk schade zal lijden. Daarnaast verzoekt appellante het College uitspraak te doen over de uitleg van de garantieregeling nu appellante vaker gebruik maakt van deze regeling.
5. Het is vaste rechtspraak van het College dat alleen sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de belanghebbende met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk met het aanwenden van dat rechtsmiddel kan worden bereikt en dat het realiseren van dat resultaat voor deze belanghebbende een feitelijke betekenis kan hebben en niet alleen een hypothetische.
6. Aan deze vereisten is hier niet voldaan. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent haar procesbelang acht het College te speculatief van karakter om als resterend procesbelang te kunnen gelden. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, voorzitter, en mr. T.L. Fernig-Rocour en mr. H.C.P. Venema, leden, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.
w.g. R.R. Winter w.g. C.S. de Waal