ECLI:NL:CBB:2018:597
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingen fosfaatreductieplan en toepassing knelgevallenregeling
Appellante, een melkveehouder, kreeg op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 meerdere heffingen opgelegd vanwege het houden van meer melkvee dan het referentieaantal op de peildatum 2 juli 2015. Zij verzocht om toepassing van de knelgevallenregeling in artikel 12, tweede lid, om het referentieaantal te bepalen aan de hand van het aantal runderen vóór de intreding van diergezondheidsproblemen, ondersteund door een diergeneeskundige verklaring over mastitis en problemen met melkrobots.
Verweerder wees dit verzoek af omdat niet was voldaan aan de vereiste dat het referentieaantal minimaal 5% lager moest zijn door de dierziekte. Appellante stelde dat haar veestapel sinds 2011 gestaag groeide en dat deze groei meegewogen moest worden, wat volgens haar zou leiden tot een hogere referentie en het voldoen aan de 5%-eis.
Het College oordeelde dat de Regeling geen ruimte biedt om rekening te houden met beoogde maar niet gerealiseerde groei en dat de knelgevallenregeling alleen voorziet in het vervroegen van de peildatum bij aantoonbare daling van minimaal 5%. Daarnaast oordeelde het College dat de hoogte van de heffingen niet leidt tot een individuele en buitensporige last en dat appellante geen verdere gelegenheid hoeft te krijgen om aanvullende gegevens aan te leveren.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de opgelegde heffingen wordt ongegrond verklaard en de heffingen blijven gehandhaafd.