ECLI:NL:CBB:2018:598
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingen fosfaatreductieplan en toepassing knelgevallenregeling
Appellant exploiteert een melkveebedrijf en kreeg meerdere heffingen opgelegd vanwege het houden van meer melkvee dan het referentieaantal op de peildatum 2 juli 2015, conform de Regeling Fosfaatreductieplan 2017. Hij had een nieuwe stal gebouwd met een grotere capaciteit, maar door ernstige gezondheidsklachten kon hij de veestapel niet tijdig uitbreiden.
Appellant verzocht om het referentieaantal te verhogen op basis van de maximale stalcapaciteit, maar verweerder wees dit af omdat de situatie niet viel onder de onvoorziene, bijzondere omstandigheden van artikel 12 van Pro de Regeling. Verweerder stelde dat de knelgevallenregeling niet voorziet in rekening houden met beoogde maar niet gerealiseerde groei.
Het College oordeelde dat artikel 12, tweede lid, van de Regeling wel een vervroeging van de peildatum mogelijk maakt, maar niet de verhoging van het referentieaantal op grond van niet gerealiseerde groei. Daarnaast concludeerde het College dat de opgelegde heffingen niet leiden tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffingen wordt ongegrond verklaard en het referentieaantal wordt niet verhoogd.