Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2019 in de zaak tussen
Fa. [naam 1] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
drs. [naam 3] aan [naam 4] vragen welke actie hij zou gaan ondernemen. Ik hoorde [naam 4] zeggen dat hij contact zou nemen met zijn dierenarts.
23 september was afgelopen. Met betrekking tot het ontwormen van de dieren volgt verweerder de verklaringen van NVWA-toezichthoudende dierenarts dat de dieren ten minste één keer in de 3 maanden met het middel Noromectin dienen worden te ontwormd. Tot slot merkt verweerder op dat de verklaringen van dierenarts [naam 5] vanwege het lange tijdsverloop en de zakelijke relatie met enige terughoudendheid moet worden bezien.
23 september 2016 terecht heeft vastgesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de aan haar opgelegde last onder dwangsom 2 augustus 2016. Wat betreft de klauwverzorging heeft de toezichthoudende dierenarts geconstateerd dat de runderen voor het laatst op 3 mei 2016 door de klauwverzorger waren gecontroleerd, terwijl de runderen volgens het bedrijfsgezondheidsplan (iedere 3 maanden) rond 3 augustus 2016 door een klauwverzorger hadden moeten worden gecontroleerd. Het College ziet in hetgeen appellante in beroep aanvoert geen aanleiding om niet van de bevindingen en conclusies van de dierenarts en de toezichthouders uit te gaan. In de verklaring van [naam 6] dat het derde kwartaal nog niet was afgerond, ziet het College geen grond voor de conclusie dat appellante het bedrijfsgezondheidsplan op dit punt (tijdig) heeft uitgevoerd. Het College volgt verweerder in zijn uitleg dat de dieren na elk kwartaal bekapt moesten worden en dat dit niet synchroon hoeft te lopen met het kwartaal van een kalenderjaar. De toezichthoudende dierenarts heeft verder geconstateerd dat de runderen niet zijn behandeld tegen leverbot en long- en maagdarmwormen. Aan de door appellante overgelegde schriftelijke verklaring van de dierenarts [naam 6] van 19 januari 2018 kan naar het oordeel van het College geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat deze ruim een jaar na de controle is opgesteld en bovendien kennelijk is gebaseerd op nadere afspraken die appellante buiten verweerder en de toezichthouders van de NVWA om heeft gemaakt. Het College volgt appellante niet in haar betoog dat het primaire besluit niet strekt tot het doel waarvoor de last is opgelegd. Uit de veterinaire verklaring van toezichthoudend dierenarts [naam 3] van
27 september 2016 blijkt immers dat door het niet uitvoeren van het bedrijfsgezondheidsplan de gezondheid en het welzijn van de dieren wordt benadeeld, omdat daarmee de kans op klauwproblemen en ziekte door worminfecties onnodig toeneemt. Dat in de bijlage van het primaire besluit onder relevante wet- en regelgeving ten onrechte is verwezen naar artikel 2.1, zesde lid, van de Wet dieren doet daaraan niet af.
Beslissing
mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019.