ECLI:NL:CBB:2019:160

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 april 2019
Publicatiedatum
19 april 2019
Zaaknummer
18/595
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet dierenArt. 2.2 Wet dierenArt. 1.28 Besluit houders van dierenArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over invordering dwangsom wegens niet-uitvoering bedrijfsgezondheidsplan

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 16 april 2019 uitspraak gedaan over het beroep van een bedrijf tegen de invordering van een dwangsom van € 1.000,-. Deze dwangsom was opgelegd wegens het niet tijdig uitvoeren van adviezen uit het bedrijfsgezondheidsplan, zoals vereist in een last onder dwangsom van 2 augustus 2016.

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) constateerde bij een hercontrole op 23 september 2016 dat de adviezen van de dierenarts niet waren opgevolgd. Zo waren de klauwen van de runderen niet binnen het kwartaal bekapt en was de wormbehandeling niet uitgevoerd. Appellante voerde aan dat zij het plan wel had uitgevoerd en dat het primaire besluit niet het juiste doel diende, maar het College verwierp deze bezwaren na toetsing van het rapport van bevindingen en verklaringen.

Het College oordeelde dat het niet opvolgen van het bedrijfsgezondheidsplan een overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren vormt, ook zonder dat sprake hoeft te zijn van hulpbehoevende dieren. De invordering van de dwangsom was daarom terecht en er waren geen bijzondere omstandigheden die tot kwijtschelding konden leiden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wegens niet-uitvoering van het bedrijfsgezondheidsplan is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/595

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2019 in de zaak tussen

Fa. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. drs. C.C.J. Hartendorf),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. T.D. van der Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot invordering van een dwangsom van € 1.000,- vanwege overtreding van een last onder dwangsom van 2 augustus 2016.
Bij besluit van 19 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2019. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving daarvan niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van het bepaalde in de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Het doel van deze last is ervoor te zorgen dat appellante de gezondheid en het welzijn van de dieren niet langer benadeelt. Appellante is opgedragen om de volgende maatregel te nemen vóór 5 augustus 2016:
“Voer de adviezen in het bedrijfsgezondheidsplan, opgesteld door de dierenarts, uit.”
Indien bij volgende controles blijkt dat de overtreding nog steeds voorkomt, verbeurt appellante een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, tot een maximum van € 3.000,-. Deze last onder dwangsom is gedurende twee jaar van toepassing.
1.2
Op 23 september 2016 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar aanleiding van de opgelegde last onder dwangsom een hercontrole op het bedrijf van appellante uitgevoerd. De bevindingen van deze hercontrole zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 27 september 2016 (het rapport van bevindingen). Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Ik, toezichthouder [naam 2] , hoorde drs. [naam 3] aan [naam 4] vragen om het bedrijfsgezondheidsplan. Ik zag dat [naam 4] een bedrijfsgezondheidsplan van 28 april 2016 aan drs. [naam 3] overhandigde. Ik hoorde drs. [naam 3] zeggen dat de adviezen van de praktiserende dierenarts, geschreven in dit bedrijfsgezondheidsplan, niet waren uitgevoerd. Ik hoorde dat drs. [naam 3] las dat de klauwverzorger iedere 3 maanden zou moeten komen om dieren te beoordelen en eventueel te behandelen. Ik hoorde drs. [naam 3] aan de [naam 4] vragen wanneer het laatste bezoek was geweest van de klauwverzorger. Ik hoorde [naam 4] zeggen dat de klauwverzorger de laatste keer op 3 mei 2016 was geweest om runderen te beoordelen en te behandelen. Ik hoorde drs. [naam 3] zeggen dat de klauwverzorger, volgens het advies van de dierenarts, rond 3 augustus 2016 weer de runderen had moeten controleren. Ik, toezichthouder (…), hoorde [naam 4] als volgt antwoordde: dan zal ik hem bellen. Vervolgens hoorde ik drs. [naam 3] zeggen dat zij las, in het bedrijfsgezondheidsplan, dat er wormbehandelingen moeten worden uitgevoerd en dat er vermeld stond: leverbot. Ik hoorde drs. [naam 3] aan [naam 4] vragen of de wormbehandeling was uitgevoerd. Ik hoorde [naam 4] als volgt antwoordde: ik heb het “spul” wel gehaald, maar nog niet gebruikt. Ik hoorde dat drs. [naam 3] aan [naam 4] vroeg welk ontwormingsmiddel hij had gehaald en wanneer hij dit had gehaald. Ik zag dat [naam 4] een grote doos liet zien. Wij zagen dat het ontwormingsmiddel Noromectin op 17-8-2016 was afgegeven. Wij zagen deze datum vermeld staan op de sticker op de voornoemde verpakking. Ik hoorde dat drs. [naam 3] aan [naam 4] vroeg waarom dit ontwormingsmiddel nog niet was gebruikt. Ik hoorde [naam 4] het volgende antwoordde: het is er nog niet van gekomen. Ik hoorde dat drs. [naam 3] aan [naam 4] vroeg of hij contact met zijn praktiserende dierenarts had gehad over een eventuele leverbofbehandeling. Ik hoorde [naam 4] zeggen dat hij dat niet had gehad. Ik hoorde
drs. [naam 3] aan [naam 4] vragen welke actie hij zou gaan ondernemen. Ik hoorde [naam 4] zeggen dat hij contact zou nemen met zijn dierenarts.
Hieruit concludeer ik dat de adviezen van de praktiserende dierenarts, vermeld in het ondertekende gezondheidsplan, niet waren opgevolgd en waren uitgevoerd, waardoor niet werd voldaan aan de last onder dwangsom, van 02-08-2016, met referentie G2016004120.”
1.3
Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten tot invordering van een dwangsom van € 1.000,-, omdat bij een op 23 september 2016 uitgevoerde hercontrole is geconstateerd dat appellante de aan haar bij besluit van 2 augustus 2016 opgelegde maatregel niet heeft uitgevoerd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante gelet op het rapport van bevindingen in samenhang met de nadere verklaringen van de toezichthoudend dierenarts van de NVWA de bedrijfsgezondheidsplan niet (voldoende) heeft uitgevoerd. Daarmee staat vast dat appellante niet aan de last van 2 augustus 2016 heeft voldaan. Verweerder volgt appellante niet in haar betoog dat uit de verklaring van dierenarts [naam 5] ( [naam 5] ) van 19 januari 2018 volgt dat zij zijn advies voldoende heeft uitgevoerd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de verklaringen van [naam 5] op een aantal punten niet duidelijk is en niet in overeenstemming is met de nota bene door hem zelf opgestelde behandelplan. Wat betreft het bekappen van de klauwen heeft verweerder overwogen dat de dieren na elk kwartaal bekapt moesten word. De klauwen van de dieren waren eerst op 3 mei 2016 bekapt. Dit betekent dat het kwartaal zoals bedoeld in het gezondheidsplan reeds op
23 september was afgelopen. Met betrekking tot het ontwormen van de dieren volgt verweerder de verklaringen van NVWA-toezichthoudende dierenarts dat de dieren ten minste één keer in de 3 maanden met het middel Noromectin dienen worden te ontwormd. Tot slot merkt verweerder op dat de verklaringen van dierenarts [naam 5] vanwege het lange tijdsverloop en de zakelijke relatie met enige terughoudendheid moet worden bezien.
3.1
Appellante voert ten eerste aan dat de veterinaire verklaring van toezichthoudend dierenarts drs. [naam 3] ( [naam 3] ) van 27 september 2017 die als bijlage van het rapport van bevindingen zou zijn gevoegd niet aan het bestreden besluit ten grondslag mag worden gelegd, omdat zij daar geen kennis van heeft kunnen nemen. Dit geldt evenzeer voor de in het bestreden besluit opgenomen nadere verklaringen van de toezichthoudende dierenarts van de NVWA over de uitgevoerde inspectie op 23 september 2016. Daarmee is volgens appellante het beginsel van hoor-en wederhoor geschonden en is het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen.
3.2
Het College stelt vast dat de veterinaire verklaring van toezichthoudend dierenarts [naam 3] van 27 september 2017 niet als bijlage bij het rapport van bevindingen is gevoegd, zodat aannemelijk is dat appellante hiervan geen kennis heeft van kunnen nemen. Het College ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Voornoemde veterinaire verklaring is immers integraal opgenomen in het rapport van bevindingen, waarvan appellante kennis heeft genomen. Dat verweerder appellante alvorens op haar bezwaar te beslissen niet in kennis heeft gesteld van de nadere verklaringen van de toezichthoudende dierenarts van de NVWA en haar niet in de gelegenheid heeft gesteld hierop te reageren, maakt naar het oordeel van het College evenmin dat appellante hierdoor is benadeeld. De verklaringen bevatten geen nieuwe informatie ten opzichte van het rapport van bevindingen. Bovendien heeft appellante in beroep alsnog kunnen reageren op deze nadere verklaringen en zij heeft deze mogelijkheid ook daadwerkelijk benut.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1
Appellante betoogt dat de adviezen uit het bedrijfsgezondheidsplan wel zijn uitgevoerd en dat er voldoende concrete aanknopingspunten zijn om aan de juistheid van het rapport van bevindingen te twijfelen. Appellante verwijst hiertoe naar de schriftelijke verklaring van praktiserende dierenarts drs. [naam 6] ( [naam 6] ) van 19 januari 2018. Appellante betoogt verder dat het primaire besluit niet strekt niet tot het doel waarvoor de last is opgelegd. Daartoe voert zij aan dat de last is opgelegd met het doel ervoor te zorgen dat de gezondheid en het welzijn van de dieren niet wordt benadeeld. Gesteld noch gebleken is dat de gezondheid en het welzijn van de dieren is benadeeld. In het primaire besluit wordt verwezen naar artikel 2.1, zesde lid en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Echter gesteld noch gebleken is dat sprake was van hulpbehoevende dieren en dat aan de dieren de nodige zorg is onthouden.
4.2
Verweerder stelt zich - samengevat weergegeven - op het standpunt dat het niet opvolgen of niet uitvoeren van een gezondheidsplan een verboden handeling is zoals bedoeld in artikel 2.1, eerst lid, van de Wet dieren. Voor de vraag of dit artikellid is overtreden is niet vereist dat er bewezen moet worden dat er sprake is van een hulpbehoevend dier. Appellante heeft het bedrijfsgezondheidsplan niet of althans niet voldoende uitgevoerd. Door het niet tijdig bekappen van de klauwen en het niet tijdig behandelen van leverbot is de gezondheid en het welzijn van de dieren benadeelt. De verklaring van dierenarts [naam 6] van 19 januari 2018 is niet van belang voor de vraag of het bedrijfsgezondheidsplan wel of niet door appellante is uitgevoerd.
5.1
Het College stelt vast dat de bij besluit van 2 augustus 2016 opgelegde maatregel is gebaseerd op de bij de controle van 29 juni 2016 geconstateerde overtreding van artikel 1.28, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, die hierin is gelegen dat appellante haar runderen niet overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan van 28 april 2016 heeft behandeld tegen wormen, parasieten en klauwproblemen. Door de uitspraak van het College van
28 december 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:486) is dit besluit in rechte vast komen te staan. Ter beoordeling staat slechts of de last onder dwangsom van 2 augustus 2016 is overtreden en zo ja, of er bijzondere redenen zijn die maken dat verweerder in dit geval niet onverkort tot invordering van de dwangsommen zou kunnen overgaan. Hieromtrent overweegt het College als volgt.
5.2
De Wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:
“Artikel 2.1. Dierenmishandeling
1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.
(…)
Artikel 2.2. Houden van dieren
(…)
8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.
5.3
Besluit houders van dieren luidt voor zover van belang als volgt:
“Artikel 1.28. Bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan
(…)
2. Een houder van dieren handelt overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het behandelplan dat in overleg met hem is opgesteld, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken.
(…)”
5.4
Het College is van oordeel dat verweerder op basis van de bevindingen op
23 september 2016 terecht heeft vastgesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de aan haar opgelegde last onder dwangsom 2 augustus 2016. Wat betreft de klauwverzorging heeft de toezichthoudende dierenarts geconstateerd dat de runderen voor het laatst op 3 mei 2016 door de klauwverzorger waren gecontroleerd, terwijl de runderen volgens het bedrijfsgezondheidsplan (iedere 3 maanden) rond 3 augustus 2016 door een klauwverzorger hadden moeten worden gecontroleerd. Het College ziet in hetgeen appellante in beroep aanvoert geen aanleiding om niet van de bevindingen en conclusies van de dierenarts en de toezichthouders uit te gaan. In de verklaring van [naam 6] dat het derde kwartaal nog niet was afgerond, ziet het College geen grond voor de conclusie dat appellante het bedrijfsgezondheidsplan op dit punt (tijdig) heeft uitgevoerd. Het College volgt verweerder in zijn uitleg dat de dieren na elk kwartaal bekapt moesten worden en dat dit niet synchroon hoeft te lopen met het kwartaal van een kalenderjaar. De toezichthoudende dierenarts heeft verder geconstateerd dat de runderen niet zijn behandeld tegen leverbot en long- en maagdarmwormen. Aan de door appellante overgelegde schriftelijke verklaring van de dierenarts [naam 6] van 19 januari 2018 kan naar het oordeel van het College geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat deze ruim een jaar na de controle is opgesteld en bovendien kennelijk is gebaseerd op nadere afspraken die appellante buiten verweerder en de toezichthouders van de NVWA om heeft gemaakt. Het College volgt appellante niet in haar betoog dat het primaire besluit niet strekt tot het doel waarvoor de last is opgelegd. Uit de veterinaire verklaring van toezichthoudend dierenarts [naam 3] van
27 september 2016 blijkt immers dat door het niet uitvoeren van het bedrijfsgezondheidsplan de gezondheid en het welzijn van de dieren wordt benadeeld, omdat daarmee de kans op klauwproblemen en ziekte door worminfecties onnodig toeneemt. Dat in de bijlage van het primaire besluit onder relevante wet- en regelgeving ten onrechte is verwezen naar artikel 2.1, zesde lid, van de Wet dieren doet daaraan niet af.
5.5
Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht vastgesteld dat appellante de aan haar bij besluit van 2 augustus 2016 opgelegde maatregel niet heeft uitgevoerd. Dit betekent dat verweerder eveneens terecht heeft vastgesteld dat appellante dwangsom van € 1.000,- heeft verbeurd.
5.6
Gesteld noch gebleken is dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk in aanwezigheid van
mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019.
w.g. J.A.M. van den Berk w.g. A. El Markai