3.2Ingevolge artikel 4:105, eerste lid, van de Awb wordt de verjaring gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
4. In de brief van 7 februari 2019 heeft de staatssecretaris vermeld dat de verjaring ten aanzien van de invordering van de dwangsom abusievelijk niet is gestuit, waardoor de bevoegdheid tot invordering in deze zaak is verjaard. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat appellant geen procesbelang meer heeft. Appellant heeft in zijn brief van 11 maart 2019 vermeld dat hij zich refereert aan het oordeel van het College hierover en verzoekt het College om de staatssecretaris te veroordelen in vergoeding van de gemaakte proceskosten omdat hij geen hoger beroep had ingesteld als hij tijdig had geweten dat de bevoegdheid tot invordering was verjaard.
5. Het College stelt voorop dat om een rechtsingang te hebben bij de bestuursrechter vereist is dat de desbetreffende appellant procesbelang heeft. Dit staat ter zelfstandige beoordeling van de bestuursrechter ten tijde van de beoordeling van het rechtsmiddel. In het geval van een aanhangig beroep tegen een invorderingsbesluit speelt, ter voorkoming van het geven van een rechtsoordeel over uitsluitend een theoretische kwestie, hierbij een rol of de bevoegdheid tot invordering inmiddels is verjaard. Is dat het geval, dan kan de overtreder door het bestuursorgaan niet meer langs bestuursrechtelijke weg worden gedwongen om de dwangsom te betalen. Het belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van het invorderingsbesluit vervalt dan, tenzij appellant aannemelijk maakt dat er nog procesbelang bij een beoordeling aanwezig is.
6. Niet in geschil is dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen is verjaard, waardoor er geen dwangsommen meer bij appellant kunnen worden ingevorderd. Nu appellant niet heeft gesteld dat er nog procesbelang bij een beoordeling aanwezig is, verklaart het College het hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.
7. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aangezien geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en appellant geen reis- of verletkosten heeft ingediend. Wel dient de staatssecretaris het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.
Beslissing
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 250,- aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. C.S. de Waal