ECLI:NL:CBB:2019:174

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
25 april 2019
Zaaknummer
16/660
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Pavićević
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Verordening (EU) nr. 1306/2013Art. 74 Verordening (EU) nr. 1306/2013Art. 24 e.v. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014Art. 32 lid 2 onder a Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 4 lid 1 onder e Verordening (EU) nr. 1307/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op toekenning betalingsrechten wegens onbeteelde grond

Appellant heeft betalingsrechten aangevraagd voor 2015 voor acht percelen met een totale oppervlakte van 3,67 hectare. Verweerder wees een aantal percelen af omdat deze niet als subsidiabel landbouwareaal werden beschouwd, gebaseerd op een inspectierapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Het geschil betrof de vraag of de afgewezen percelen, behorend tot de biologische kippenhouderij van appellant, als subsidiabel landbouwareaal konden worden aangemerkt. Appellant stelde dat de grond subsidiabel was en betwistte dat het inspectierapport als zorgvuldig kon worden beschouwd omdat hij niet bij de controle aanwezig was.

Het College oordeelde dat noch Europese noch Nederlandse regelgeving vereist dat de landbouwer bij de controle aanwezig moet zijn. Het inspectierapport werd als zorgvuldig beoordeeld, mede omdat appellant na de inspectie gelegenheid kreeg te reageren. Op basis van het rapport en de waarnemingen werd vastgesteld dat op de betreffende percelen voornamelijk onkruid, kale grond en mosachtige vegetatie voorkwamen, waardoor geen sprake was van landbouwareaal.

De door appellant overgelegde luchtfoto’s konden niet doorslaggevend zijn omdat onduidelijk was of deze de situatie in 2015 weergaven. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de toekenning van betalingsrechten werd bevestigd zoals door verweerder vastgesteld.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de betalingsrechten voor de percelen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/660

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: ir. ing. M.M.F.H. Schneiders),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. N.M. Brok).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan appellant 1,02 betalingsrechten voor 2015 toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 31 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en vergroeningsbetaling) voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling.
Bij besluit van 9 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellant heeft met het doen van zijn Gecombineerde opgave 2015 de toekenning en uitbetaling van betalingsrechten aangevraagd. Hij heeft hiertoe 8 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 3,67 ha.
2. In geschil is de door verweerder afgewezen oppervlakte van een aantal percelen (1, 3, 4, 6, 7 en 8) van de biologische kippenhouderij van appellant. Appellant meent dat verweerder de opgegeven percelen in zijn geheel had moeten toewijzen omdat sprake is van subsidiabele landbouwgrond.
3. Ten aanzien van de grond van appellant dat verweerder zich niet had mogen baseren op het Inspectierapport BBR algemeen van 30 september 2015 van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (het inspectierapport) omdat appellant niet in de gelegenheid is gesteld om bij de controle aanwezig te zijn, overweegt het College als volgt. Uit de Europese regelgeving (zie artikel 59 en Pro artikel 74 van Pro Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en artikel 24 e.v. van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden) noch de Nederlandse regelgeving is af te leiden dat de landbouwer aanwezig dient te zijn bij de controle. Dat het inspectierapport melding maakt dat appellant in de gelegenheid is gesteld om bij de controle aanwezig te zijn en dit door appellant wordt betwist, betekent nog niet dat dit inspectierapport niet als zorgvuldig is aan te merken reeds omdat uit het inspectierapport zelf blijkt dat appellant niet aanwezig was maar wel de dag na de inspectie in de gelegenheid is gesteld om op de bevindingen te reageren en van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Appellant heeft voor het overige ook niet de zorgvuldigheid van het inspectierapport betwist. Het College ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding het inspectierapport als onzorgvuldig tot stand gekomen aan te merken. Verweerder had dan ook gebruik mogen maken van het inspectierapport bij zijn beoordeling of de percelen als landbouwareaal zijn aan te merken of niet.
4. Voor de vaststelling van het toe te wijzen aantal betalingsrechten is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Op grond van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) wordt onder subsidiabele hectare verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Om voor betalingsrechten in aanmerking te komen, is dus onvoldoende dat grond voor landbouwactiviteiten, zoals maaien, wordt gebruikt. De grond moet tevens landbouwareaal zijn. Landbouwareaal is, gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013, om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten. Onder blijvend grasland en blijvend weiland (samen blijvend grasland) verstaat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen. Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, onder h, van Verordening 1307/2013 worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Pro de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013).
5. Ter zitting is namens appellant bevestigd dat de percelen als natuurlijk grasland moeten worden aangemerkt. Het College moet dan ook beoordelen of op percelen 1, 3, 4, 6, 7 en 8 de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen. Hiervan is sprake als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen.
6. Het College stelt vast dat verweerder de opgegeven gewascode 331, grasland natuurlijk, hoofdfunctie landbouw, voor deze percelen, mede naar aanleiding van het inspectierapport, heeft gewijzigd in de niet subsidiabele gewascode 2033, onbeteelde grond, tijdelijk. Verweerder heeft daarbij gekeken naar de meest toepasselijke gewascode voor de desbetreffende percelen.
7. Uit het inspectierapport volgt dat op perceel 1 nog wel gras stond, maar ook veel brandnetels en ander hoog onkruid. Op perceel 3 zijn vooral brandnetels en ander onkruid waargenomen. Op de percelen 4, 7 en 8 zag de inspecteur vrijwel volledige kale grond onder de bomen. Op perceel 6 is mossige vegetatie met daarop veel jonge opslag van populieren en wilgen waargenomen. Uit het inspectierapport volgt voorts dat appellant in zijn reactie op de waarnemingen heeft gesteld dat hij alle percelen in gebruik heeft voor de uitloop van zijn kippen, alle percelen in 1993 en nogmaals in 2000 heeft ingezaaid met gras en in de loop der jaren bomen en struiken heeft aangeplant ter beschutting tegen roofvogels. De conclusie van het inspectierapport is dat deze percelen niet landbouwkundig in gebruik lijken.
8. Op basis van de inhoud van het inspectierapport, het feit dat iemand ter plaatse de percelen heeft bekeken en beoordeeld en de bijgevoegde foto’s, stelt het College met verweerder vast dat bij de percelen 1, 3, 4, 6, 7 en 8 niet kan worden gesproken van landbouwareaal omdat uit deze gegevens is op te maken dat op percelen 1 en 3 voornamelijk brandnetels en ander onkruid, op percelen 4, 7 en 8 kale grond onder de bomen is te zien en dat perceel 6 uit voornamelijk mossige vegetatie bestaat. Er kan dan ook niet van (natuurlijk) grasland worden gesproken. Aan de door appellant overgelegde luchtfoto’s van de desbetreffende percelen kan niet de betekenis worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien, omdat onduidelijk is van wanneer deze foto’s zijn en of deze de situatie weergeven van het jaar 2015.
9. Naar het oordeel van het College heeft verweerder de percelen 1, 3, 4, 6, 7 en 8 terecht niet subsidiabel geacht, omdat geen sprake is van landbouwareaal.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.
w.g. T. Pavićević w.g. C.S. de Waal