ECLI:NL:CBB:2019:180

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
29 april 2019
Zaaknummer
18/2732
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 10 Procesregeling bestuursrechterlijke colleges
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken schriftelijke machtiging

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit omtrent de vaststelling van fosfaatrechten. Het beroepschrift was ondertekend door een gemachtigde zonder dat een schriftelijke machtiging was overgelegd.

Het College heeft appellante verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging te overleggen, maar deze is niet ontvangen. Nadere stukken, waaronder een brief en een maatschapscontract, werden later ingebracht, maar het College stelde vast dat de brief niet tijdig was ontvangen en appellante het risico van verzending per gewone post draagt.

Omdat het verzuim niet is hersteld, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een tijdige schriftelijke machtiging.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2732

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: G. Meijerink en G.J. Biesheuvel).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het aantal fosfaatrechten voor het bedrijf van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 1 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.
Namens appellante is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Appellante heeft nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2019. Namens appellante is verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1
In artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat de bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen.
1.2
In artikel 10 van Pro de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges is bepaald dat indien het college een machtiging of bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid verlangt, het de gemachtigde of vertegenwoordiger schriftelijk uitnodigt de machtiging of het bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid binnen vier weken in te zenden.
1.3
Ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2. Het namens appellante ingediende beroepschrift is ondertekend door [naam 2] . In verband met het ontbreken van een schriftelijke machtiging, waaruit blijkt dat [naam 2] gerechtigd is namens appellante beroep in te stellen, heeft het College appellante, ter attentie van [naam 2] , bij brief van 4 december 2018 verzocht binnen vier weken na de dagtekening van de brief een door appellant(e)(n) ondertekende verklaring over te leggen, waaruit blijkt dat hij/zij hem hebben gemachtigd namens hem/haar/hen in rechte op te treden. In deze brief is [naam 2] erop gewezen dat, indien hij het gevraagde niet binnen de gestelde termijn toezendt, het College het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Het College heeft binnen de daartoe gestelde termijn geen door appellante ondertekende verklaring ontvangen.
3. Bij schrijven van 27 maart 2019 zijn namens appellante nadere stukken ingebracht, waaronder een brief van 20 december 2018, waarin [naam 2] - onder verwijzing naar voornoemde brief van het College - heeft gesteld dat hij als maat van de Maatschap [naam 1] gemachtigd is. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij een maatschapscontract bijgevoegd.
4. Ter zitting heeft [naam 2] verklaard dat hij de brief van 20 december 2018 op 20 december 2018, niet aangetekend of met bericht van ontvangst, heeft verzonden. Ook heeft hij verklaard dat hij zulks niet kan aantonen.
5. Vast staat dat het College de brief van 20 december 2018 niet heeft ontvangen. Volgens vaste rechtspraak dient het risico dat per gewone post - niet aangetekend - verzonden stukken niet (tijdig) door het College zijn ontvangen, voor rekening van appellante te komen.
6.
Nu het beroepschrift alleen is ondertekend door [naam 2] en hij niet (tijdig) een schriftelijke machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij gerechtigd is om namens appellante in rechte op te treden, is het in de brief van 4 december 2018 geconstateerde verzuim niet hersteld. Daarom is niet voldaan aan de eisen voor een ontvankelijk beroep.
7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van L.N. Nijhuis, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. L.N. Nijhuis