ECLI:NL:CBB:2019:199

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
17 mei 2019
Zaaknummer
18/1244
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72b Ubm
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen generieke korting fosfaatrechten wegens onbruikbaar grondmonster als bewijs

Appellante, een maatschap, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin een generieke korting op haar fosfaatrechten werd toegepast wegens vermeende niet-grondgebondenheid.

De minister baseerde zich op een te hoge PAL-waarde voor perceel 32, waarbij appellante bewijs aanvoerde in de vorm van analyseverslagen van drie grondmonsters uit maart 2014. Het College stelde vast dat één van deze monsters afkomstig was van een perceel dat niet tot het bedrijf van appellante behoort, waardoor de analyse onbruikbaar is als bewijs.

Op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet geldt een generieke korting van 8,3%, tenzij wordt bewezen dat de mestproductie lager was dan de fosfaatruimte. Aangezien appellante niet slaagde in het bewijs dat perceel 32 in een lagere fosfaatklasse valt, werd het beroep ongegrond verklaard.

Het College zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. R.C. Stam op 14 mei 2019.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege onbruikbaarheid van het bewijs door een grondmonster van een perceel van een derde.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1244

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2019 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Leegsma en mr. A.R. Alladin).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht vastgesteld.
Bij besluit van 22 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft daartegen beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019, waar appellante niet is verschenen en verweerder zich liet vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Verweerder past een generieke korting toe, omdat appellante niet grondgebonden zou zijn. Appellante stelt dat zij wel grondgebonden is. Verweerder gaat namelijk uit van een te lage fosfaatruimte, doordat hij een te hoge PAL-waarde hanteert voor perceel 32. Weliswaar volgt verweerder daarmee de eigen opgave van appellante, maar die opgave was onjuist. Als bewijs stuurt appellante analyseverslagen van drie in maart 2014 genomen grondmonsters.
Dat bewijs wijst verweerder van de hand, omdat de analyse uitgaat van het gewogen gemiddelde van de drie grondmonsters, terwijl één van de monsters is getrokken van een perceel (87) dat niet tot het bedrijf van appellante behoort.
Op grond van artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) wordt het fosfaatrecht verlaagd met een generieke korting van 8,3%. Die korting wordt op grond van artikel 72b, tweede lid, van het Ubm niet toegepast als, kort gezegd, de mestproductie door melkvee in 2015 minder was dan de fosfaatruimte in dat kalenderjaar. Het gaat daarbij dus om een uitzondering op de hoofdregel. Het is aan appellante om het bewijs bij te brengen dat haar melkvee in 2015 minder mest produceerde dan haar fosfaatruimte in dat kalenderjaar. Appellante moet dus bewijzen fosfaattoestand van perceel 32 laag was.
Het College gaat er, nu appellante dat niet bestrijdt, vanuit dat één van de voor de analyse gebruikte monsters afkomstig is van een niet tot haar bedrijf behorend perceel. Dat maakt die analyse onbruikbaar als bewijs van de fosfaattoestand van het landbouwareaal van appellante. Appellante is zodoende niet geslaagd in het bewijs dat perceel 32 in een lagere klasse (dan hoog) moet worden ingedeeld.
Het beroep slaagt niet. Het College ziet geen reden voor proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. E.D.H. Nanninga als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. E.D.H. Nanninga