Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 mei 2019 op het hoger beroep van:
[naam 1] , gevestigd te [plaats] , appellant
Nba) ingediend tegen appellant
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de accountantskamer
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Het College stelt vast dat appellant in hoger beroep niet opkomt tegen het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van de gegrondheid van de klacht en de schending van de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Appellant heeft – ook in hoger beroep – erkend dat hij na afloop van de eerste toetsingsdag op 23 augustus 2016 twee, geantedateerde, bespreekverslagen heeft opgesteld en een eerder opgemaakte checklist afronding jaarrekening heeft aangepast en deze documenten toen heeft toegevoegd aan het toetsingsdossier SSZ. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel.
- Het dossier [naam 4] is tijdens de toetsing ter sprake gekomen terwijl de kwestie met betrekking tot [naam 4] daarin niet zou worden betrokken.
- Beide toetsers hebben appellant het gevoel gegeven te twijfelen aan de juistheid van zijn antwoorden.
- [naam 6] heeft appellant aan het einde van de eerste toetsingsdag onvoldoende tijd gegeven om zijn aantekeningen ten aanzien van ontbrekende documenten terug te vinden.
- De wijze waarop appellant heeft gehandeld, nadat de toetsers aangaven dat er mogelijk stukken aan het dossier waren toegevoegd, tot aan de uitschrijving als accountant uit het accountantsregister.
Tot slot voert appellant aan dat hij het onbegrijpelijk vindt dat hij een schorsing van drie maanden opgelegd krijgt, terwijl de accountantskamer drie maanden later slechts een berisping oplegt aan een accountant die ten behoeve van een aangekondigd boekenonderzoek van de Belastingdienst factuurspecificaties heeft aangepast met als doel om de werkelijke werkzaamheden van het kantoor ten behoeve van de cliënt verborgen te houden voor de fiscus (zie de uitspraak van 17 september 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:66).
uitsluitendten voordele van zichzelf heeft gehandeld. Dat appellant in ieder geval mede ten voordele van zichzelf de uitkomst van de toetsing heeft willen beïnvloeden, zoals de accountantskamer heeft overwogen, wordt door appellant niet betwist. Daarbij komt dat het ging om een kwaliteitstoetsing van een accountantskantoor waar appellant eigenaar van was, zodat niet aannemelijk is dat hij bij het gewraakte handelen louter belangen van derden voor ogen had.