In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een last onder dwangsom opgelegd aan appellant wegens overtreding van de Wet dieren. De last hield in dat de appellant zijn hond een schone en zindelijke huisvesting moest bieden, waaronder het dagelijks verwijderen van ontlasting en urine. Na een hercontrole bleek dat appellant niet aan deze verplichting had voldaan, waarna een dwangsom van € 250,- werd opgelegd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze invorderingsbeschikking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tijdens het onderzoek oordeelde het College in een gerelateerde zaak (zaaknummer 17/1327) dat de last onder dwangsom onrechtmatig was opgelegd en herroepen moest worden, waardoor de grondslag voor de invorderingsbeschikking verviel.
Het College vernietigde daarom het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Omdat sprake is van een onherstelbaar gebrek, treedt deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit. Daarnaast werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat die reeds in de gerelateerde zaak was toegekend.