Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2019 op het hoger beroep van:
het Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket Amsterdam, appellant,
(gemachtigde: mr. drs. R.E. Dohmen RA AA en mr. S. van den Kerkhof),
[AA], betrokkene,
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de accountantskamer
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
In hoger beroep heeft appellant de klacht beperkt tot het valselijk opmaken van de facturen die zijn gericht aan de buitenlandse vennootschappen. Het betreft
Bij het bespreken van de betalingsregeling in 2012/2013 heeft de cliënt, aldus betrokkene, voor het eerst te kennen gegeven dat er uren waren die in het verleden niet op de juiste ondernemingen waren geboekt. De cliënt wilde dit gecorrigeerd hebben. Omdat de cliënt daarmee wel een punt had en, zoals betrokkene ter zitting bij de accountantskamer heeft verklaard, betrokkene een argument van de cliënt om de betalingsachterstand niet te betalen uit diens handen wilde slaan, heeft vervolgens voor een deel van de in rekening gebrachte uren een herverdeling van de facturen plaatsgevonden. Aangezien de Spaanse en Zwitserse ondernemingen buitenlandse ondernemingen waren moesten er facturen zonder BTW worden gemaakt. Dat kon destijds niet met het pakket Allure dat het kantoor voor de overige facturen gebruikte. Dat is de reden dat de facturen van de Spaanse en Zwitserse ondernemingen afwijken van de overige facturen. Uit de administratie van het kantoor en uit de gespreksaantekeningen die betrokkene heeft overgelegd blijkt duidelijk dat er in de periode 2018-2012 over de Spaanse en Zwitserse ondernemingen besprekingen met de cliënt hebben plaatsgevonden en werkzaamheden zijn uitgevoerd.