Appellante, een vennootschap onder firma actief in veehandel en vleeskalveren, vroeg uitbetaling van betalingsrechten voor 2017 aan. Verweerder wees dit af omdat appellante niet als actieve landbouwer stond ingeschreven en niet tijdig met een accountantsverklaring aantoonde dat landbouwactiviteiten een belangrijk deel van haar totale economische activiteiten vormden.
Appellante diende de accountantsverklaring pas in bij het bezwaar, na de fatale termijn van 19 juni 2017. Het College oordeelde dat deze termijn strikt is en dat de verklaring te laat was ingediend, zonder dat sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Hierdoor kon de verklaring niet worden meegenomen in de beoordeling.
Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard. Het College wees ook het betoog af dat informatie op de website van de RVO over de gevolgen van late indiening in 2017 en 2018 ontbrak. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2019 door mr. T. Pavićević.