ECLI:NL:CBB:2019:314

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 juli 2019
Publicatiedatum
26 juli 2019
Zaaknummer
19/13
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Pavićević
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Verordening 1306/2013Art. 26 Verordening 1306/2013Art. 2 Uitvoeringsverordening 2017/2197Art. 6:16 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit financiële discipline 2017 wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en motivering

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde het beroep van appellant tegen het besluit van 23 november 2018 waarbij bezwaar tegen de vaststelling van de teruggave van financiële discipline over 2017 ongegrond werd verklaard. De financiële discipline betreft een korting op GLB-steun die in 2017 niet werd aangesproken, waardoor terugbetaling aan eindontvangers mogelijk is.

Verweerder had de teruggave vastgesteld op basis van een besluit van 2 maart 2018 over de basis- en vergroeningsbetaling 2017, terwijl tegen dat besluit nog beroep liep. Appellant stelde dat de lopende beroepsprocedure invloed had op het terug te betalen bedrag en dat het besluit prematuur en onvoldoende gemotiveerd was.

Het College oordeelde dat verweerder niet hoefde te wachten met de teruggave tot de beroepsprocedure over de betalingen was afgerond, mede omdat bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Wel werd geoordeeld dat omdat het besluit van 2 maart 2018 moet worden herzien wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en motivering, ook het besluit over de financiële discipline herzien moet worden.

Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit over de financiële discipline 2017 wordt vernietigd met opdracht tot herziening binnen acht weken.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/13

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de teruggave financiële discipline over het jaar 2017 voor appellant vastgesteld.
Bij besluit van 23 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de kant van appellant is tevens verschenen mevrouw [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
Steun in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) wordt gekort om geld te reserveren voor een crisisfonds voor de landbouwsector (de financiële discipline). Dit volgt uit de artikelen 25 en 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (Verordening 1306/2013). De reserve wordt aangelegd door de GLB-steun te verlagen. Hiervoor stelt de Europese Commissie een korting vast op alle GLB-steun hoger dan € 2.000,-. In het begrotingsjaar 2017 is geen beroep gedaan op deze reserve. Om die reden kan de financiële discipline worden teruggegeven aan de eindontvangers die in het begrotingsjaar 2017 onderworpen zijn aan financiële discipline. Dit volgt uit punt 19 van de considerans en artikel 26, vijfde lid, van Verordening 1306/2013. De beschikbare bedragen staan in de bijlage van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2017/2197 van de Commissie van 27 november 2017 inzake de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, vijfde lid, van de Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van de kredieten die zijn overgedragen van begrotingsjaar 2017 (Uitvoeringsverordening 2017/2197). Nederland heeft het percentage voor 2017 berekend op (afgerond) 1,385%. Voor het jaar 2017 moet de teruggave financiële discipline plaatsvinden voor 16 oktober 2018 (zie artikel 2 van Pro Uitvoeringsverordening 2017/2197).
1.2
Bij besluit van 3 januari 2018 heeft verweerder aan appellant een bedrag
toegekend voor de uitbetaling van de betalingsrechten (basis- en vergroeningsbetaling) 2017.
1.3
Bij besluit van 2 maart 2018 heeft verweerder het besluit van 3 januari 2018 herzien en heeft verweerder het bedrag van de basis- en vergroeningsbetaling 2017 aangepast.
1.4
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 maart 2018. Ten tijde van het nemen van het primaire besluit was deze procedure nog aanhangig bij het College.
1.5
Bij het primaire besluit heeft verweerder de teruggave financiële discipline ten aanzien van appellant vastgesteld op een bedrag van € 311,06. Dit is afgerond 1,385% van het bedrag aan rechtstreekse betalingen boven € 2.000,- dat appellant over het jaar 2017 heeft ontvangen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij bij de vaststelling van de financiële discipline is uitgegaan van de geldigheid van het besluit van 2 maart 2018, nu er in de beroepszaak tegen dit besluit nog geen uitspraak is gedaan. Op grond van artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schorst het instellen van bezwaar of beroep niet de werking van het besluit van 2 maart 2018. Mocht de beslissing op bezwaar van 2 maart 2018 worden herzien, waarbij het bedrag aan rechtstreekse betalingen wordt gewijzigd, dan zal verweerder ten aanzien van appellant een nieuwe beslissing nemen over de financiële discipline 2018. Verder stelt verweerder dat de beginselen van behoorlijk bestuur in acht zijn genomen bij het nemen van het primaire besluit. Verweerder voert hiertoe aan dat ter voorbereiding van het te nemen besluit een berekening is gemaakt van de teruggave van de financiële discipline over het jaar 2017 op basis van de hoogte van de rechtstreekse betalingen 2017. Vervolgens is in het besluit aangegeven dat appellant een bedrag terugkrijgt en waarom. Daar is een berekening bijgevoegd. Tot slot is aangegeven dat wanneer de rechtstreekse betalingen over 2017 worden aangepast, appellant opnieuw een bericht ontvangt over de hoogte van de teruggave van de financiële discipline. Van onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het besluit of van een ondeugdelijke motivering is volgens verweerder dan ook geen sprake.
3. Appellant voert in beroep aan dat een positieve uitkomst binnen de beroepsprocedure die ziet op de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 2017 invloed heeft op het terug te betalen bedrag van de financiële discipline 2018. Appellant is dan ook van mening dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de lopende beroepsprocedure en dat het voorliggende bestreden besluit evenals het primaire besluit prematuur tot stand is gekomen. Het besteden besluit geeft dan ook geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging en ontbeert tevens een deugdelijke en zorgvuldige motivering, zoals deze wordt vereist op grond van artikel 3:46 en Pro 3:47 van de Awb.
4. Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:286) heeft een wijziging van het bedrag dat aan rechtstreekse betalingen wordt uitbetaald, gevolgen voor de berekening van de teruggave financiële discipline, nu die teruggave een percentage is van dat bedrag. Dit betekent echter niet dat verweerder gehouden is te wachten met het nemen van het besluit tot teruggave van de financiële discipline totdat de procedure over de rechtstreekse betalingen over het premiejaar 2017 is afgehandeld. Verweerder heeft in dit verband erop gewezen dat de teruggave financiële discipline over 2017 dient plaats te vinden vóór 16 oktober 2018. Dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 2017, vormde voor verweerder voorts geen beletsel om het besluit tot teruggave van de financiële discipline te nemen op basis van het besluit tot uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 2017, reeds omdat het bezwaar de werking van dat besluit gelet op artikel 6:16 van Pro de Awb niet opschort. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel nopen niet tot die conclusie. In dit verband is het van belang dat verweerder uiteen heeft gezet dat, in het geval de beslissing op bezwaar van 2 maart 2018 wordt herzien waarbij het bedrag aan rechtstreekse betalingen wordt gewijzigd, er een nieuwe beslissing over de financiële discipline 2018 zal worden genomen.
5. De beroepsgrond van appellant dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de lopende beroepsprocedure houdt gelet op hetgeen onder 4 is overwogen geen stand. In zoverre zou het beroep van appellant ongegrond moeten zijn. Echter, in zijn uitspraak van heden met procedurenummer 18/396 heeft het College verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen over de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 2017 omdat er een onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd besluit is genomen ten aanzien van een gedeelte van een perceel dat door verweerder niet subsidiabel is geacht. Nu het besluit van 2 maart 2018 moet worden herzien, moet ook het besluit ten aanzien van de financiële discipline 2018 worden herzien. Het beroep van appellant slaagt daarom alsnog.
6. Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7. Gelet op artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), waarin is bepaald dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb worden beschouwd als één zaak, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. Samenhangende zaken zijn zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Bpb is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De zaak met procedurenummer 18/396, waar appellant ook appellant was, is gelijktijdig met de onderhavige zaak behandeld door het College. De gemachtigde van appellant was tevens in de zaak met procedurenummer 18/396 de gemachtigde. Voorts heeft de gemachtigde in beide zaken nagenoeg dezelfde werkzaamheden verricht, te weten het indienen van het beroepschrift alsmede appellant bijstaan ter zitting.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170 aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.
w.g. T. Pavićević w.g. C.H.R. Mattheussens