ECLI:NL:CBB:2019:335

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 augustus 2019
Publicatiedatum
5 augustus 2019
Zaaknummer
18/2787
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23, zesde lid, Msw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling fosfaatrechtverhoging op grond van ziekte vennoot en knelgevallenregeling Meststoffenwet

Appellante exploiteert een veehouderij en maakte bezwaar tegen het primaire besluit waarbij het fosfaatrecht was vastgesteld. Verweerder verhoogde het fosfaatrecht met toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet vanwege de arbeidsongeschiktheid van een vennoot sinds 24 februari 2012.

Appellante stelde dat rekening gehouden had moeten worden met de verwachte groei van de veestapel, die groter zou zijn geweest zonder de ziekte van de vennoot. Het College overwoog dat de knelgevallenregeling enkel ziet op de situatie zonder buitengewone omstandigheden en dat niet gerealiseerde uitbreidingsplannen niet in aanmerking worden genomen. Dit is in lijn met de bedoeling van de wetgever.

Het beroep faalt derhalve en het College verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de verhoging van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2019 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.M. Smits),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J.G. Biesheuvel).

Procesverloop

Op 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht vastgesteld. Appellante heeft een melding gedaan dat door buitengewone omstandigheden haar fosfaatrecht lager was vastgesteld en bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 30 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het fosfaatrecht met toepassing van artikel 23, zesde lid, van het Meststoffenwet (Msw) verhoogd.
Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk namens haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante exploiteert een veehouderij. Eén van haar vennoten is per 24 februari 2012 arbeidsongeschikt geworden. Op 2 juli 2015 hield appellant 68 melkkoeien en 45 stuks jongvee en in 2015 was gemiddelde melkopbrengst per koe 6.972 kg. Op 24 februari 2012 hield appellante 69 melkkoeien en 62 stuks jongvee.
2.1
Met het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht vastgesteld op 3.267 kg. Met het bestreden besluit heeft hij het fosfaatrecht verhoogd in verband met de ziekte van de vennoot van appellante. De verhoging heeft hij gebaseerd op de situatie per 24 februari 2012.
2.2
Het betoog van appellante komt erop neer dat verweerder rekening had moeten houden
met de verwachte (verdere) groei van de veestapel. Uit de omvang en samenstelling van de veestapel op 24 februari 2012 valt af te leiden dat deze op 2 juli 2015 veel groter zou zijn geweest als haar vennoot niet ziek zou zijn geworden.
3.1
Als het fosfaatrecht door ziekte van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer minimaal 5% lager uitvalt dan de voor dat bedrijf gebruikelijke fosfaatproductie, dan wordt het fosfaatrecht op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw vastgesteld op basis van de hoeveelheid dieren en de excretieforfaits die het bedrijf zonder die ziekte zou hebben gehad. De uiteindelijke beoordeling gebeurt op basis van een volledig beeld van de specifieke situatie op zijn bedrijf.
3.2
In zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) heeft het College gewezen op zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) waarin over artikel 23, zesde lid, van de Msw is geoordeeld dat ook in geval van (deels gerealiseerde) uitbreidingsplannen, een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum moet plaatsvinden. Dat dit tot gevolg kan hebben dat de stagnatie in de groei door de buitengewone omstandigheid, niet meer kan worden gecompenseerd, heeft het College onder ogen gezien en aanvaard. Het College heeft hiermee aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht (zie Kamerstukken II, 2015-2016, 34532, nr.3, p. 40 “De knelgevallenvoorziening die in het wetsvoorstel is opgenomen betrekt bewust niet wat in de toekomst met de op 2 juli 2015 beschikbare productiemiddelen mogelijk zou zijn, maar kijkt naar het verleden…” en Kamerstukken II, 2016-2017, 34532, nr.7, p.47 “Het gaat er nadrukkelijk niet om een vergelijking met de toekomst te maken. Ondernemers die voornemens waren hun bedrijf uit te breiden maar die uitbreiding nog niet hadden gerealiseerd, komen niet in aanmerking voor de knelgevallenregeling”). Dat verweerder dit uitgangspunt niet alleen hanteert voor (beoogde en gerealiseerde) uitbreidingen na 2 juli 2015, maar ook van toepassing acht op niet gerealiseerde uitbreidingen op de peildatum, heeft het College in die uitspraak in lijn geacht met de bedoeling van de wetgever in het kader van de vaststelling van de situatie die in redelijkheid op het bedrijf mocht worden verwacht. De wetgever zag geen plaats om toekomstige ontwikkelingen te betrekken, teneinde verhoging van het fosfaatrecht door (nog niet verwezenlijkte) uitbreidingsplannen te voorkomen.
3.3
De beroepsgrond stuit hier op af. Het beroep faalt.
4. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. F. Willems als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. F. Willems