Appellante exploiteert een veehouderij en maakte bezwaar tegen het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht, omdat zij meent dat dit door de ziekte van een vennoot te laag is vastgesteld. De vennoot onderging in 2013 een teenamputatie, waardoor hij zelf geen werkzaamheden meer kon verrichten en taken moesten worden overgenomen door ingehuurd personeel.
Verweerder verhoogde het fosfaatrecht deels vanwege een eerdere fout met melkproductie, maar wees een verdere verhoging op grond van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet af omdat appellante volgens hem niet had aangetoond dat de ziekte van invloed was op de situatie per 2 juli 2015. Tijdens de zitting erkende verweerder echter dat de ziekte wel invloed had op de omvang van de veestapel.
Het geschil spitste zich toe op het peiljaar voor de gemiddelde melkproductie: appellante wilde 2015, verweerder ging uit van 2013. Het College oordeelde dat er geen reden was om af te wijken van het wettelijk peiljaar 2015 en vernietigde het bestreden besluit. Het fosfaatrecht werd vastgesteld op 5.968 kg. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.