ECLI:NL:CBB:2019:337

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 augustus 2019
Publicatiedatum
5 augustus 2019
Zaaknummer
18/2820
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 MswArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van knelgevallenregeling Meststoffenwet

Appellant voerde bezwaar aan tegen de vaststelling van zijn fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet, waarbij hij stelde dat vanwege paratuberculose zijn bedrijf op 2 juli 2015 minder dieren telde dan zonder de ziekte. Hij verzocht rekening te houden met het hypothetische hogere aantal dieren voor de berekening.

Verweerder stelde dat de knelgevallenregeling niet bedoeld is om niet gerealiseerde groei te compenseren en hield vast aan de feitelijke dierenaantallen op 2 juli 2015. Het College bevestigde deze uitleg en verwees naar eerdere uitspraken waarin werd benadrukt dat alleen de situatie op 2 juli 2015 relevant is, niet toekomstige uitbreidingen.

Verder erkende verweerder een fout in het excretieforfait, wat leidde tot een te laag vastgesteld fosfaatrecht. Het College vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht vast op 3.136 kg en draagt verweerder op het betaalde griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: Het fosfaatrecht van appellant wordt vastgesteld op 3.136 kilogram en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2820

uitspraak van enkelvoudige kamer van 6 augustus 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J.G. Biesheuvel).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 1.844 kilogram (kg).
Bij besluit van 10 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het fosfaatrecht verhoogd naar 3.049 kg.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 2 juli 2015 hield appellant 37 melkkoeien en 24 stuks jongvee. In 2014 is het bedrijf van appellant getroffen door paratuberculose.
2.1
Tussen partijen is nog in geschil aan de hand van welk aantal dieren het fosfaatrecht dient te worden berekend. Appellant stelt dat hij zonder de diergezondheidsproblemen op 2 juli 2015 zou hebben beschikt over 75 melkkoeien en 50 stuks jongvee en verzoekt verweerder hiermee rekening te houden bij de berekening van het fosfaatrecht.
2.2
Volgens verweerder is de knelgevallenregeling niet bedoeld om niet gerealiseerde groei te compenseren. Verweerder heeft daarom de dieraantallen op 2 juli 2015 vergeleken
met die op 23 februari 2014. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de achteruitgang in de melkproductie in 2013 een gevolg is van de dierziekte.
3. Het College overweegt als volgt. In zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) heeft het College gewezen op zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) waarin over artikel 23, zesde lid, van de Msw is geoordeeld dat (ook in geval van (deels gerealiseerde) uitbreidingsplannen,) een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de dierziekte en de bedrijfssituatie op 2 juli 2015 moet plaatsvinden. Het College heeft hiermee aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht (zie Kamerstukken II, 2015-2016, 34532, nr.3, p. 40 “De knelgevallenvoorziening die in het wetsvoorstel is opgenomen betrekt bewust niet wat in de toekomst met de op 2 juli 2015 beschikbare productiemiddelen mogelijk zou zijn, maar kijkt naar het verleden…” en Kamerstukken II, 2016-2017, 34532, nr.7, p.47 “Het gaat er nadrukkelijk niet om een vergelijking met de toekomst te maken. Ondernemers die voornemens waren hun bedrijf uit te breiden maar die uitbreiding nog niet hadden gerealiseerd, komen niet in aanmerking voor de knelgevallenregeling”). Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Het betoog van appellant slaagt dan ook niet.
4. Appellant heeft zelf aangegeven dat hij per 23 februari 2014 te maken kreeg met de paratuberculose en hij heeft geen bewijs bijgebracht dat de gevolgen van die ziekte zich vóór die datum op zijn bedrijf deden gevoelen. Dit betekent dat verweerder voor de berekening van het fosfaatrecht is uitgegaan van het juiste aantal dieren.
5. Verweerder ging in het bestreden besluit uit van een excretieforfait van 41,5, maar erkende ter zitting dat hij had moeten uitgaan van 43,5. Het fosfaatrecht bedraagt dan 3.136 kg. Daarmee staat vast dat verweerder het fosfaatrecht te laag heeft vastgesteld. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 23, derde lid, van de Msw. Het College ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en het fosfaatrecht vast te stellen op 3.136 kg.
6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en stelt het fosfaatrecht van appellant vast op 3.136 kg;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. F. Willems