ECLI:NL:CBB:2019:338
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht bij bouw nieuwe stal
Appellant had op 2 juli 2015 een veebezetting van 90 melkkoeien en 83 jongvee, terwijl hij een vergunning had voor een nieuwe stal geschikt voor 198 melkkoeien en bijbehorend jongvee. De bouw was echter pas in 2016 afgerond, waardoor de feitelijke veebezetting op de peildatum lager was dan de vergunde situatie.
Appellant verzocht om het fosfaatrecht te berekenen op basis van de vergunde veebezetting, maar verweerder stelde het fosfaatrecht vast op de feitelijke aantallen. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard, waarna hij beroep instelde bij het College van Beroep.
Het College oordeelde dat de knelgevallenregeling in artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet alleen ziet op buitengewone omstandigheden die afwijken van de reguliere bedrijfsvoering en niet op toekomstige uitbreidingen. De regeling vereist een vergelijking tussen de feitelijke situatie op 2 juli 2015 en de situatie zonder buitengewone omstandigheden. Het beroep van appellant faalde omdat het niet aannemelijk maakte dat de lagere veebezetting het gevolg was van buitengewone omstandigheden die recht geven op een hogere fosfaatrechtberekening.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.