ECLI:NL:CBB:2019:344
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Randvoorwaardenkorting wegens onjuist gebruik glyfosaat in sloot bevestigd
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een randvoorwaardenkorting van 20% die door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is opgelegd vanwege het gebruik van glyfosaat op de bodem en talud van een sloot over een lengte van circa 300 meter. De wettelijke voorschriften verbieden het gebruik van glyfosaat op deze wijze, waardoor sprake is van niet-naleving van de beheerseisen uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB).
Appellant voerde overmacht aan omdat de gebruikelijke loonwerker met een maaikorf niet beschikbaar was en er druk was om de begroeiing te verwijderen vanwege klachten over slechte afwatering. Het College oordeelde dat dit geen overmacht is, omdat de situatie niet abnormaal of onvoorzien was en appellant rekening had moeten houden met de beschikbaarheid van de maaikorf.
Verder stelde appellant dat de niet-naleving niet opzettelijk was, maar nalatig. Het College stelde vast dat appellant bewust glyfosaat gebruikte ondanks het verbod, waardoor sprake is van opzettelijke niet-naleving. Daarom was de randvoorwaardenkorting van 20% terecht en kon geen waarschuwing worden gegeven.
Ook was er geen aanleiding om de korting te verlagen naar 15%, mede vanwege de omvang van het gebruik. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de wettelijke bepalingen de belangenafweging beperken. Ten slotte oordeelde het College dat de combinatie van randvoorwaardenkorting en bestuurlijke boete niet leidt tot dubbele bestraffing, conform vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting van 20% gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting van 20% gehandhaafd.