ECLI:NL:CBB:2019:36
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.C. Stam
- T. Pavićević
- I.M. Ludwig
- Rechtspraak.nl
Intrekking chauffeurskaart wegens niet tijdig overleggen nieuwe VOG niet in strijd met EVRM
Appellant kreeg zijn chauffeurskaart ingetrokken omdat hij niet binnen de gestelde termijn een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) kon overleggen nadat verweerder informatie ontving over recente justitiële contacten van appellant.
Verweerder handhaafde het besluit tot intrekking na bezwaar, waarbij werd benadrukt dat de wet een gebonden besluit voorschrijft en het belang van passagiersbescherming voorop staat. Appellant stelde dat het ontbreken van een belangenafweging en de strikte VOG-eis in strijd zijn met artikel 8 EVRM Pro, verwijzend naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Het College oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een dwingende regeling om continue screening van taxichauffeurs mogelijk te maken en dat de intrekking van de chauffeurskaart niet disproportioneel is. De belangenafweging vindt plaats bij het stellen van de termijn voor het overleggen van de VOG, niet bij de intrekking zelf.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Appellant ontving later alsnog een VOG en beschikt inmiddels weer over een chauffeurspas.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de chauffeurskaart wegens het niet tijdig overleggen van een nieuwe VOG is ongegrond verklaard.