ECLI:NL:CBB:2019:457
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- E.R. Eggeraat
- D. Brugman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidievaststelling op grond van de stoppersregeling melkveehouderij
Appellant exploiteert een agrarisch bedrijf met melkvee en vleeskalveren en ontving subsidie op grond van de Subsidieregeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderij (stoppersregeling). Verweerder stelde de subsidie op nihil vast omdat appellant het aantal mannelijke runderen op zijn bedrijf had laten toenemen, wat in strijd is met de subsidievoorwaarden.
Appellant voerde aan dat hij twee afzonderlijke bedrijven heeft met aparte UBN-nummers en dat hij aan de voorwaarden had voldaan door de melkkoeien af te voeren. Het College oordeelde dat het bedrijf als één geheel moet worden beschouwd, ook al zijn er meerdere UBN-nummers, omdat er één relatienummer is en geen aparte vennootschappen.
Verder stelde appellant dat de subsidievoorwaarden onredelijk zijn omdat de regeling alleen bedoeld is voor melkveehouderijen en niet voor vleeskalveren. Het College verwierp dit en benadrukte dat de regeling de fosfaatproductie door melkkoeien moet verminderen en dat de regelgever de vrijheid heeft om voorwaarden te stellen, waaronder het betrekken van alle mannelijke runderen.
Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat geen termijnoverschrijding was vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt terecht op nihil vastgesteld.