Uitspraak
1.[appellant] (appellant 1), te [plaats 1] ,
minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
1.Inleiding
2.Feiten
3.Wettelijke grondslag van de primaire en bestreden besluiten
Artikel 5:10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren
Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet dieren.
4.Omvang van het geding
- niet is voldaan aan artikel 2.8, eerste lid, onder b, van Wet dieren (toepassing diergeneesmiddel bij dieren zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de Wet dieren).
5.Procedurele beroepsgronden
6.Inhoudelijke beroepsgronden
- via voedering, drenking, inademing of een andere vorm van blootstelling een schadelijke stof hebben opgenomen (voorwaarde 1) of;
- waarvan wordt vermoed dat zij een dergelijke stof hebben opgenomen (voorwaarde 2) of
- die het gevaar lopen de stof op te nemen (voorwaarde 3).
(a) de stof volgens de beoordeling van de World Health Organization (WHO) (matig) toxisch is voor mensen;
(b) voor eieren een MRL is vastgesteld, die per 1 januari 2017 is verlaagd van 0,015 mg/kg naar 0,005 mg/kg en dat producten die in de handel worden gebracht als levensmiddel of diervoeder deze MRL ingevolge art. 18 Verordening Pro (EG) nr. 396/2005 niet mogen overschrijden;
(d) fipronil giftig is voor ongewervelde water- en bodemdieren, ook bij zeer lage concentraties, zodat het van belang is er voor te zorgen dat er geen fipronil via verontreinigde kippenmest in het milieu terecht komt
- de stof volgens de beoordeling van de WHO (matig) toxisch is voor mensen (argument a):
- voor eieren een MRL is vastgesteld die per 1 januari 2017 is verlaagd van 0,015 mg/kg tot 0,005 mg/kg (argument b);
Het College dient ten aanzien van de primaire besluiten uit groep A te beoordelen of verweerder zich, gelet op de ten tijde van het nemen van deze besluiten beschikbare informatie, met deze argumenten in onderling verband bezien, terecht op het standpunt heeft gesteld dat fipronil moet worden beschouwd als een schadelijke stof in de zin van artikel 5.10, eerste lid, onder c, van de Wet dieren (vorengenoemde voorwaarde 2). Het College zal eerst de hierop betrekking hebbende beroepsgronden van appellanten weergeven, dan ingaan op de betekenis van het begrip ‘schadelijke stof’ en daarna de vorengenoemde vier argumenten van verweerder bespreken aan de hand van de beroepsgronden.
Van belang is verder dat in Europese wetgeving onder meer maximumconcentraties van residuen van bestrijdingsmiddelen in levensmiddelen zijn vastgesteld. In Verordening (EG) nr. 396/2005 zijn maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in of op levensmiddelen en diervoerders van dierlijke oorsprong vastgesteld. Het gaat hierbij om de vaststelling van zogenaamde maximumresidugehalten (MRL). Dit begrip is in artikel 3, tweede lid, onder d, van Verordening (EG) nr. 396/2005 gedefinieerd als: “het hoogste wettelijke toegestane concentratieniveau van een bestrijdingsmiddelenresidu in of op een levensmiddel of diervoeder, overeenkomstig onderhavige verordening vastgesteld op basis van goede landbouwprakijken en de laagste blootstelling van consumenten die noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten.” Voorts blijkt uit deze verordening dat bij de vaststelling van een MRL onder meer het risico van overschrijding van de ADI of de ARfD worden beoordeeld. In artikel 3, tweede lid, onder i, van Verordening (EG) nr. 396/2005 is de ARfD als volgt gedefinieerd: “ de geraamde hoeveelheid van een stof in een levensmiddel, uitgedrukt in verhouding tot het lichaamsgewicht, die in korte tijd, meestal in de loop van één dag, mag worden ingenomen zonder merkbaar gezondheidsrisico voor de consument, zulks op basis van door middel van relevant onderzoek verkregen gegevens, en rekening houdend met gevoelige bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld kinderen en foetussen)”. De ADI is in artikel 3, tweede lid, onder j, van Verordening (EG) nr. 396/2005 omschreven als: “de geraamde hoeveelheid van een stof in een levensmiddel, uitgedrukt in verhouding tot het lichaamsgewicht, die levenslang elke dag mag worden ingenomen zonder merkbaar risico voor de consumenten, zulks op basis van de op het tijdstip van de evaluatie bekende gegevens, rekening houdend met gevoelige bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld kinderen en foetussen).”
- de stof volgens de beoordeling van de WHO (matig) toxisch is voor mensen (argument a);
- fipronil giftig is voor ongewervelde water- en bodemdieren, ook bij zeer lage concentraties, zodat het van belang is er voor te zorgen dat er geen fipronil via verontreinigde kippenmest in het milieu terecht komt (argument d).
Het College dient dus ook ten aanzien van de primaire besluiten uit groep B te beoordelen of verweerder zich, gelet op de ten tijde van het nemen van deze besluiten beschikbare informatie, op basis van deze argumenten in onderling verband bezien, terecht op het standpunt heeft gesteld dat fipronil moet worden beschouwd als een schadelijke stof in de zin van artikel 5.10, eerste lid, onder c, van de Wet dieren. Wat betreft argument c is hierbij van belang dat een belangrijk verschil ten opzichte van de primaire besluiten uit groep A is dat BuRo ten tijde van het nemen van de primaire besluiten uit groep B zijn advies van 11 augustus 2017 had uitgebracht. Bij de primaire besluiten uit groep B spitst de beoordeling van argument c zich dan ook toe op de kwestie of verweerder op grond van dat advies terecht heeft gesteld dat fipronil moet worden beschouwd als een schadelijke stof.
Antwoorden op onderzoeksvragen
a) de situatie dat zij niet hebben voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of de Wet dieren of wordt vermoed dat zij daaraan niet hebben voldaan, of
b) de situatie waar dieren of producten aanwezig zijn of zijn geweest ten aanzien waarvan niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet of ten aanzien waarvan dit wordt vermoed.
(hierna
:thema b). Verweerder stelt verder dat tevens niet is voldaan het bepaalde bij of krachtens de Wet dieren of dit werd vermoed, omdat (vermoedelijk) niet is voldaan aan artikel 4 van Pro Verordening (EG) nr. 852/2004. Al met al meent verweerder dus dat was voldaan aan de voorwaarden voor het nemen van maatregelen op grond van artikel 5.12 van de Wet dieren.
a. voor de vervaardiging van andere producten dan levensmiddelen of diervoeders; of
b. om te worden ingezaaid of geplant; of
c. voor door het nationaal recht toegestane activiteiten in verband met de controle van werkzame stoffen.
Naar het oordeel van het College hebben appellanten met hun niet onderbouwde stelling dat de mogelijkheid daartoe bestaat niet afdoende aangetoond dat de met fipronil besmette eieren bestemd zijn voor één van deze drie genoemde doeleinden. De beroepsgrond treft reeds daarom geen doel.
Met betrekking tot de bij de bestreden besluiten gehandhaafde primaire besluiten uit groep B beoordeelt het College de vraag of verweerder zich in verband met de thema’s a (overschrijding MRL) en b (biocide) terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens een EU-verordening, een EU-besluit of de Wet dieren op dezelfde wijze als hiervoor ten aanzien van de primaire besluiten uit groep A. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 5.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet dieren bij de primaire besluiten uit groep B, zoals gehandhaafd bij de bestreden besluiten, bevoegd was tot het opleggen van een maatregel.
Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was om bij mondelinge beslissing een maatregel op grond van artikel 5.10 en artikel 5.12 van de Wet dieren aan appellante op te leggen. Ingevolge artikel 3:40 van Pro de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Gelet op artikel 1:3, eerste lid, van de Awb gaat het hierbij om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het College gaat ervan uit dat het primaire besluit van 18 augustus 2017 op dezelfde dag is bekendgemaakt aan appellante. Gelet op het vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat de eerst bij genoemd primair besluit rechtsgeldig opgelegde maatregel met ingang van die datum in werking is getreden. Nu verweerder bij het ten aanzien van appellante bestreden besluit heeft aangenomen dat het afvoerverbod reeds per 1 augustus rechtsgeldig mondeling aan appellante was opgelegd, betekent dit dat het bestreden besluit, voor zover dit strekt tot handhaving van het aldus door verweerder opgevatte primaire besluit wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. Het beroep van appellante is in zoverre gegrond. Het College zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij is aangenomen dat het afvoerverbod in werking is getreden per 1 augustus 2017, en te bepalen dat dit verbod in werking treedt met ingang van 18 augustus 2017. Het College zal hierbij bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit.
7.Conclusie
8.Proceskosten
- verklaart de beroepen van appellanten 1 tot en met 11 gegrond;
- vernietigt de ten aanzien van ieder van deze appellanten genomen bestreden besluiten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;
- herroept in de zaak 18/905 het door verweerder ten aanzien van appellante 11 ( [appellante 10] Exploitatiemaatschappij BV) genomen primaire besluit van 18 augustus 2017, voor zover daarbij is aangenomen dat het afvoerverbod in werking is getreden per 1 augustus 2017;
- bepaalt dat het bij het genoemde primaire besluit van 18 augustus 2017 opgelegde afvoerverbod in werking treedt met ingang van 18 augustus 2017 en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het door verweerder ten aanzien van appellante 11 genomen bestreden besluit ;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan iedere appellant te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de in beroep proceskosten van appellanten 1 tot en met 11 tot een bedrag van € 2.304,-;
- veroordeelt verweerder in de in bezwaar gemaakte proceskosten van appellante 11 tot een bedrag van € 1.536,--.
4. “diervoeders”: alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor orale vervoedering aan dieren;
(…)
2. De levensmiddelenwetgeving streeft naar de verwezenlijking van vrij verkeer in de Gemeenschap van levensmiddelen en diervoeders die overeenkomstig de algemene beginselen en vereisten van dit hoofdstuk vervaardigd of in de handel gebracht zijn.
(…)
—kippen, ganzen, eenden, kalkoenen, parelhoenders, struisvogels, duiven
a) maatregelen voor het onder controle houden van verontreiniging door lucht, bodem, water, diervoeder, meststoffen, geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en de opslag, het hanteren en verwijderen van afvalstoffen, en
(…)
Een krachtens dit hoofdstuk te treffen besluit hoeft niet eerst op schrift te worden gesteld ingeval in het belang van preventie of bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen of ziekteverschijnselen of het weren van ziekteverwekkers een onverwijlde tenuitvoerlegging van een maatregel noodzakelijk is. In dat geval zorgt Onze Minister alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en bekendmaking. (…)
2. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.”
(…)
c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004;
(…)
(…)