ECLI:NL:CBB:2019:510
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing knelgevallenregeling fosfaatrecht bij ziekte binnen veehouderij
Appellante exploiteert een veehouderij en maakte bezwaar tegen het vastgestelde fosfaatrecht vanwege een rugoperatie van een van haar maten, een buitengewone omstandigheid. De peildatum voor het fosfaatrecht was 2 juli 2015, waarbij het aantal melk- en kalfkoeien en jongvee werd vastgesteld. Verweerder verhoogde het fosfaatrecht gedeeltelijk na bezwaar, maar hield geen rekening met uitbreidingsplannen die appellante op 2 juli 2016 wilde realiseren.
Appellante stelde dat bij de berekening van het fosfaatrecht rekening moest worden gehouden met de situatie op 2 juli 2016, omdat zij al in 2013 was gestart met uitbreidingen anticiperend op het einde van de melkquotering. Verweerder en het College wezen dit af, stellende dat de knelgevallenregeling alleen kijkt naar de situatie op het moment van de buitengewone omstandigheid en de peildatum, zonder hypothetische toekomstige uitbreidingen mee te nemen.
Het College bevestigde eerdere uitspraken dat de regeling geen ruimte biedt voor niet-gerealiseerde uitbreidingen en dat het beroep ongegrond is. Er werd ook vastgesteld dat appellante geen beroep deed op een individuele en buitensporige last, zodat toetsing aan het EVRM niet aan de orde was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.