ECLI:NL:CBB:2019:511
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op knelgevallenregeling fosfaatrechten wegens niet voldoen aan 5%-norm
Appellant exploiteert een veehouderij en maakte bezwaar tegen het vastgestelde fosfaatrecht op zijn bedrijf. Hij beriep zich op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet, omdat hij stelde dat diergezondheidsproblemen in 2015 de melkproductie hadden verlaagd en daardoor het reguliere fosfaatrecht onjuist was vastgesteld.
Verweerder verhoogde het fosfaatrecht bij het bestreden besluit, maar wees het beroep op de knelgevallenregeling af omdat appellant niet voldeed aan de vereiste 5%-norm. Appellant stelde dat de melkproductie in 2014 als referentie moest worden genomen, maar het College oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de diergezondheidsproblemen voorafgaand aan de peildatum van 2 juli 2015 speelden. Bovendien leidde de berekening van appellant zelf tot een fosfaatrecht dat lager was dan het reeds toegekende.
Het College concludeerde dat het beroep ongegrond is omdat appellant niet aan de voorwaarden van de knelgevallenregeling voldoet en dat ook een alternatieve peildatum in 2014 geen hogere fosfaatrechten zou opleveren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep op de knelgevallenregeling wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan de 5%-norm.