Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 november 2019 in de zaak tussen
Stichting [naam 1], te [plaats 1] en
2.
Stichting [naam 2], te [plaats 2] , tezamen appellanten
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
[naam 3], te [plaats 3] , ( [naam 3] ),
Procesverloop
Overwegingen
(..)
2. ⹂levensmiddelenbedrijf”: onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen;
(…)
17. ⹂primaire productie”: de productie, het fokken en het telen van primaire producten tot en met het oogsten, het melken en de productie van landbouwhuisdieren, voorafgaande aan het slachten; dit begrip omvat tevens de jacht, de visvangst, en de oogst van wilde producten;”
1. de definities in Verordening (EG) nr. 178/2002;
(…)
3. de definities in bijlage I,
(…).
2. Onverminderd artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 852/2004, mogen inrichtingen waar de producten van dierlijke oorsprong worden gehanteerd waarvoor bijlage III voorschriften bevat, niet in bedrijf zijn, tenzij de bevoegde autoriteit ze overeenkomstig lid 3 heeft erkend, met uitzondering van inrichtingen waarin uitsluitend handelingen worden verricht met betrekking tot:
a) primaire productie;
b) (…).”
(…)
1.5 Vrij wild: (…)
(…)
1.7 Klein vrij wild: vrij vederwild (…)
(…)
1.16 Slachthuis: een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie.
(…)
1.18 Wildbewerkingsinrichting: een inrichting waar het wild en het vlees van wild dat is verkregen na de jacht geprepareerd worden om in de handel gebracht te worden.”
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 512,-.