ECLI:NL:CBB:2019:628

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
26 november 2019
Publicatiedatum
26 november 2019
Zaaknummer
18/2876
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23, lid 3 MswArt. 72 Uitvoeringsbesluit MswArt. 72a Uitvoeringsbesluit Msw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op knelgevallenregeling en startersregeling fosfaatrechten na bedrijfsverplaatsing

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het fosfaatrecht werd vastgesteld en bezwaar ongegrond werd verklaard. Het geschil betreft de toepassing van de knelgevallenregeling (artikel 72a Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet) en de startersregeling (artikel 72 Uitvoeringsbesluit Pro).

Appellante had haar oude bedrijfslocatie verkocht in het kader van de Ecologische hoofdstructuur en een nieuwe locatie betrokken waar op de peildatum 2 juli 2015 een kleinere veestapel aanwezig was dan beoogd. Zij stelde dat niet gerealiseerde uitbreidingen in aanmerking moesten worden genomen bij de 5%-drempel van de knelgevallenregeling en dat zij als starter recht had op verhoging van het fosfaatrecht.

Het College oordeelde dat niet gerealiseerde uitbreidingen niet worden meegenomen bij de knelgevallenregeling en dat appellante niet voldoet aan de startersregeling omdat het verzoek te laat was ingediend. Bovendien heeft appellante onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2876

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2019 in de zaak tussen

[naam] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. G. Meijerink en R. Kuiper).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 14 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Appellante is met bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen
1.1
Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
1.2
Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw (Uitvoeringsbesluit) verhoogt verweerder op verzoek van de landbouwer, voor zover van belang, dat fosfaatrecht indien op een bedrijf op 2 juli 2015 tijdelijk minder melkvee werd gehouden door de realisatie van een natuurgebied. Volgens het derde lid blijft de verhoging achterwege als deze kleiner zou zijn dan 5% van het vastgestelde fosfaatrecht (de 5%-drempel).
1.3
Op grond van artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit verhoogt verweerder op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw (de startersregeling).
Feiten
2. Appellante heeft in 2011 haar oude bedrijfslocatie verkocht aan de provincie in het kader van de realisatie van de Ecologische hoofdstructuur (EHS). In 2014 heeft appellante een stal kunnen bouwen op de nieuwe aangekochte bedrijfslocatie, maar op 2 juli 2015 (de peildatum) was haar veestapel kleiner dan zij beoogde.
Besluiten van verweerder
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 7.931 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.
Beroepsgronden
4. Appellante stelt dat zij zonder de gedwongen bedrijfsverplaatsing (op de oude locatie) op 2 juli 2015 een grotere veestapel zou hebben gehad. Volgens appellante moet verweerder op grond van de tekst van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit deze (niet gerealiseerde) uitbreiding in aanmerking nemen bij de vraag of zij voldoet aan de 5%-drempel. Voorts beroept appellante zich op de startersregeling van artikel 72 van Pro het Uitvoeringsbesluit. Zij is immers een nieuwe bedrijf gestart op een andere locatie. Voor deze categorie geldt dat de veebezetting wordt bepaald op basis van de feitelijke aanwezige stapcapaciteit.
Standpunt van verweerder
5. Volgens verweerder komt appellante niet in aanmerking voor verhoging van het fosfaatrecht op grond van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit, omdat het aan haar toegekende fosfaatrecht niet minimaal 5% lager uitvalt door de bedrijfsverplaatsing. Voor 2 juli 2015 hield appellante namelijk (steeds) minder vee dan het aantal dat zij op 2 juli 2015 hield en is haar fosfaatrecht (telkens) lager dan als dat naar de situatie op 2 juli 2015 wordt berekend. Met de niet gerealiseerde uitbreidingsplannen houdt verweerder geen rekening omdat dit afbreuk zou doen aan het doel van het fosfaatrechtenstelsel. Appellante komt niet in aanmerking komt voor de startersregeling, omdat haar daartoe strekkende verzoek niet voor 15 oktober 2018 is gedaan.
Beoordeling
6.1
Het College is het niet eens met appellante dat zij in aanmerking komt voor de startersregeling. Haar verzoek had zij namelijk ingevolge artikel 72, vijfde lid en zesde lid, van het Uitvoeringsbesluit uiterlijk 1 april 2018 respectievelijk 15 oktober 2018 moeten indienen. Zij heeft dat pas in het aanvullende beroepschrift van 27 augustus 2018 gedaan. Het verzoek is dus te laat ingediend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.2
Het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van artikel 72a, van het Uitvoeringsbesluit slaagt evenmin. Anders dan door appellante wordt betoogd, dient ook voor het vaststellen van de 5%-drempel een vergelijking worden gemaakt met een historische alternatieve peildatum (voor het intreden van de buitengewone omstandigheid), zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232 en van 24 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:443. Niet gerealiseerde uitbreidingen worden bij de toepassing van de knelgevallenregeling niet in aanmerking genomen. Verweerder heeft dan ook een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling.
6.3
Ook heeft appellante naar het oordeel van het College niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Appellante heeft weliswaar gesteld dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last, zij heeft echter geen gegevens verstrekt die de gevolgen van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel voor haar bedrijf inzichtelijk maken. Daarmee heeft zij haar beroep op dit punt onvoldoende onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. F. Willems