ECLI:NL:CBB:2019:678
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht en toepassing knelgevallenregeling afgewezen
Appellante exploiteerde een melkveehouderij en voerde uit dat haar fosfaatrecht verhoogd moest worden vanwege verbouwingen en uitbreidingsplannen die op de peildatum nog niet waren gerealiseerd. Verweerder had het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de situatie op de peildatum, zonder rekening te houden met niet-gerealiseerde uitbreidingen, en had het bezwaar deels gegrond verklaard met een beperkte aanpassing.
Het College overwoog dat volgens artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw) en eerdere jurisprudentie alleen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en op de peildatum relevant is, waarbij niet-gerealiseerde uitbreidingen buiten beschouwing blijven. Dit leidde tot de conclusie dat verweerder de knelgevallenregeling correct had toegepast.
Verder oordeelde het College dat appellante geen recht had op vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten, omdat het primaire besluit niet onrechtmatig was herroepen. Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het wijzigingsbesluit ongegrond. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten in beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het wijzigingsbesluit ongegrond, en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten in beroep.