ECLI:NL:CBB:2019:696
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrecht en grondgebondenheid melkveebedrijf volgens Meststoffenwet
Appellante, een melkveebedrijf, voerde beroep aan tegen het besluit van verweerder om haar fosfaatrecht vast te stellen zonder rekening te houden met 14,78 hectare landbouwgrond die zij in gebruik had gegeven aan een akkerbouwbedrijf. Verweerder stelde dat appellante op de peildatum niet de feitelijke beschikkingsmacht over deze grond had, waardoor deze niet mocht worden meegerekend bij de fosfaatruimte. Daarnaast werd een korting toegepast op het fosfaatrecht.
Het College oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd dat zij de feitelijke beschikkingsmacht over de grond had behouden, bijvoorbeeld door het ontbreken van een private overeenkomst. Het beroep op incidentele verpachting werd verworpen omdat niet was aangetoond dat de situatie zich alleen in 2015 voordeed. Ook het argument dat een afgevoerde melkkoe niet was meegenomen leidde niet tot een hogere toekenning van fosfaatrechten.
Hoewel het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat het aannemelijk was dat appellante hierdoor niet benadeeld was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.