ECLI:NL:CBB:2019:87

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 februari 2019
Publicatiedatum
8 maart 2019
Zaaknummer
18/960
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar fosfaatrechten

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het aantal fosfaatrechten voor appellante vastgesteld. Appellante maakte op 26 februari 2018 bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaar termijn.

Appellante voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan ernstige psychische klachten van één van de vennoten, die in februari 2018 opnieuw was opgenomen in een kliniek. Ter onderbouwing werd een verklaring van een sociaal werker overgelegd. Het College oordeelde echter dat het feit dat één vennoot psychische klachten had, niet betekent dat de andere vennoten geen bezwaarschrift hadden kunnen indienen. De verklaring van de sociaal werker was onvoldoende om dit aan te nemen.

Daarom concludeerde het College dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was in de zin van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/960
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2019 in de zaak tussen
Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. M.J.C. Mol)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Meijerink)

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het aantal fosfaatrechten voor appellante vastgesteld.
Bij besluit van 12 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019. Partijen hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder het aantal fosfaatrechten voor appellante vastgesteld
.Appellante heeft op 26 februari 2018 bezwaar gemaakt tegen dat besluit
.Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
3. Partijen zijn het er over eens dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt; zij verschillen echter van mening of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4. Appellante heeft aangevoerd dat één van de vennoten, de zoon van de andere twee vennoten, geruime tijd aan ernstige psychische klachten leed, waarvoor hij in februari 2018 (opnieuw) is opgenomen. Door deze ingrijpende omstandigheden zijn zaken, waaronder het indienen van een bezwaarschrift, blijven liggen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de verklaring van een sociaal werker.
5. Het enkele feit dat één van de vennoten van appellante aan psychische klachten leed en aan het einde van de bezwaartermijn is opgenomen geweest in een kliniek betekent niet dat één van de andere vennoten niet een - desnoods summier - bezwaarschrift hadden kunnen (laten) indienen. Dat geen van hen daartoe in staat zou zijn geweest is niet gebleken
.De verklaring van de sociaal werker is onvoldoende om zulks aan te nemen.
6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten in de zin van artikel 6:11 van Pro de van de Algemene wet bestuursrecht.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. L.N. Nijhuis