ECLI:NL:CBB:2020:111
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening van onherroepelijke GLB-besluiten wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht de minister om herziening van vier besluiten betreffende de toewijzing en uitbetaling van GLB-betalingsrechten over de jaren 2015 tot en met 2017. Deze besluiten waren onherroepelijk geworden omdat appellante geen rechtsmiddelen had aangewend.
De minister wees het verzoek af omdat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd zoals vereist op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Appellante stelde dat de jurisprudentie van het College van 11 juli 2017, waarin een bepalingen van de Uitvoeringsregeling onverbindend werd verklaard, een nieuw feit vormde en dat het niet herzien van de besluiten evident onredelijk was.
Het College oordeelde dat jurisprudentie geen nieuw feit is en dat het onverbindend verklaren van de regeling niet leidt tot de verplichting om reeds onherroepelijke besluiten te herzien. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat appellante zich onderscheidt van andere landbouwers die wel rechtsmiddelen hebben ingesteld. Het College concludeerde dat de minister de besluiten terecht niet heeft herzien en dat het beroep ongegrond is.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. T. Pavićević op 25 februari 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot herziening van onherroepelijke GLB-besluiten wordt ongegrond verklaard.