ECLI:NL:CBB:2020:122

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
13 februari 2020
Publicatiedatum
27 februari 2020
Zaaknummer
18/2734
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 3:41 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift fosfaatrecht

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde het beroep van appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschrift inzake het fosfaatrecht. Het primaire besluit van 3 januari 2018 stelde het fosfaatrecht vast, waarna appellant op 2 april 2018 bezwaar indiende, buiten de wettelijke termijn van zes weken.

Appellant voerde aan dat hij reeds op 31 maart 2017 bezwaar had gemaakt tegen besluiten in het kader van het fosfaatreductieplan 2017 en dat bijzondere omstandigheden golden, waardoor het bezwaar tegen het primaire besluit alsnog ontvankelijk had moeten worden verklaard. Het College oordeelde dat het hier om twee afzonderlijke besluiten gaat, waarvoor apart bezwaar moet worden gemaakt.

Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd mondeling gedaan op 13 februari 2020 door het College, waarbij appellant aanwezig was.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2734

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[naam] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.
Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb volgt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop is ontvangen. Als bewijs van tijdige terpostbezorging geldt de datumstempel van het postkantoor. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder het primaire besluit op 3 januari 2018 bekend heeft gemaakt. Dit betekent dat de bezwaartermijn op 3 januari 2018 aanving en op
14 februari 2018 eindigde. Het op 2 april 2018 ter post verzonden bezwaarschrift is derhalve te laat ingediend.
3. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 31 maart 2017 al bezwaar had gemaakt tegen besluiten van verweerder in het kader van het fosfaatreductieplan 2017. Hierin heeft appellant reeds aangegeven dat sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor het aantal stuks melkvee op 2 juli 2015 lager uitviel. Verweerder had deze bezwaren ook als bezwaar tegen het primaire besluit moeten aanmerken.
4. Het College volgt appellant hierin niet. Het gaat immers om twee aparte besluiten waartegen apart bezwaar dient te worden gemaakt.
5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2020.
w.g. R.C. Stam w.g. J.M.M. van Dalen